Deel dit artikel:
15/02/2026
Deel 11
Grond: iedereen eigenaar

Toegepast op de huidige Nederlandse situatie kan hier nu een voorschot genomen worden hoe een dergelijke grondslag in de praktijk vorm zou kunnen krijgen.
Richtinggevend is de opbrengst van een concreet landbouwproduct van eigen bodem. Voor de hand ligt om dit in de vorm van een 'mandje' van dergelijke producten te doen, die representatief zijn voor de landbouwsector in Nederland, inclusief zuivel en vlees.
Hieruit resulteert een soort gewogen jaarlijkse opbrengst. Deze dient nog gecorrigeerd te worden voor het deel van de opbrengst dat voor het buitenland bestemd is. Vervolgens kan deze opbrengst gerelateerd worden aan de bevolking en aan het aantal betrokken boeren. (1)

Bodemgebruik in Nederland in 2017
(Bron: Compendium voor de leefomgeving)
Het volgende punt is in hoeverre de betrokken boeren bij dit 'productmandje' ook een fatsoenlijk inkomen voor de door hun gerealiseerde opbrengst kunnen krijgen, ná aftrek van de betreffende bedrijfskosten. Gebaseerd op de normale arbeidsweek kun je zo concreet mogelijk kijken wat op dit moment een dergelijk inkomen zou kunnen zijn. Bedoeld is uitdrukkelijk niet een minimum inkomen, maar een inkomen waarvan we met elkaar vinden dat het passend is voor een dergelijk verantwoordelijk beroep. Je moet er als het ware mee op vakantie naar Ibiza kunnen.
Dit inkomen is goed vergelijkbaar met wat we een netto modaal inkomen noemen. Het is daarbij de kunst om individuele behoeften en meer omvattende behoeften voor meerpersoonshuishoudens goed te onderscheiden.(2) Dit is vooral nodig om een reële bruto opslagfactor te bepalen die er nog bovenop komt.

Appel oogst, ergens in Duitsland, 2005
(Bron: Wikimedia)
Daarom even een stap terug: de gewogen jaarlijkse opbrengst is in het ideale geval voor de gehele bevolking bedoeld. Er ontstaat een soort pakketje grondopbrengst voor iedere Nederlander. Zou iedereen op het land werken, dan zou dit een soort modaal inkomen in natura zijn. Er zijn nu drie dingen die we moeten onderscheiden:
- Om te beginnen werkt niet iedereen. In Nederland is er voor iedere fulltime werkende ongeveer één niet werkende inwoner. Denk aan kinderen, zieken en ouderen.
- Tweede punt is dat de meeste mensen niet op het land werken door een steeds grotere mate van arbeidsdeling in de economie. In de loop der tijden is het gros als het ware overgestapt van werken op het land naar allerlei andere activiteiten. Een deel van die activiteiten resulteerde in een scala aan uitvindingen, zeg maar van het wiel tot de tractor, die de grondopbrengst per persoon aanzienlijk verhoogden.
In zekere zin is dit pakketje grondopbrengst er nog steeds. Weliswaar is de bevolking enorm gegroeid en het stukje grond per persoon waaraan dit gerelateerd is, is kleiner geworden.(3) Gezien de enorme stijging van de arbeidsproductiviteit in de landbouw zal de feitelijke opbrengst van het pakketje in de verhouding tot de op te brengen hoeveelheid arbeid daarentegen fors zijn gestegen.

In de landbouw vond de afgelopen decennia een enorme groei van de arbeidsproductiviteit plaats
(Bron: CPB/CBS)

In 1800 werkte nog 40% van de bevolking in de landbouw. In 2000 was dat gekrompen tot 2%.
(Bron: CPB/CBS)
- Daarnaast komt dan nog punt drie: de waarde van het pakketje is nóg eens veelvoudig gestegen door de steeds grotere mate van arbeidsdeling die in de loop der eeuwen heeft plaatsgevonden en onze gehele moderne wereldeconomie mogelijk heeft gemaakt. De economie is immers steeds verfijnder geworden, met name door dat andere waardenvormende proces, 'geest toegepast op arbeid'.
Kortom; er hoeft minder hard voor het pakketje gewerkt te worden én er kan veel meer voor gekocht worden. Je kunt daarom met recht zeggen dat het pakketje grondopbrengst meer waard is geworden, omdat de gehele huidige economie eruit is ontstaan.


De welvaart in termen van het BBP per hoofd van de bevolking is gedurende de 20e eeuw met grote sprongen toegenomen, tegelijk met een forse toename van de bevolkingsomvang.
(Bron: CPB/CBS)
Het pakketje representeert dus werkelijk een basiswaardering van de Nederlandse economie. Alle werkenden bij elkaar creëren zo bezien van hieruit ons BBP en onderhouden daarmee een ongeveer even groot aantal niet werkenden. Door middel van deze concrete waarderingsgrondslag kun je nu op een bijzondere manier de verschillen in waardering opsporen. Naar gelang de invalshoek kun je kijken naar verschillen in inkomens of naar verschillen in prijzen van verschillende producten.

Robert Crumb, mr Natural
(Bron: EzenZo)
Pakken we nu het vraagstuk weer op van het hierboven geschetste netto inkomen voor de boer die dit stukje opbrengst voor ons genereert. De vraag was wat de opslag bovenop dit inkomen zou moeten zijn. Aangezien nu toegelicht is dat de waarde van het pakketje grondopbrengst mede wordt bepaald door alle andere werkenden, kan de conclusie getrokken worden dat de bruto factor ruwweg te benaderen valt door de verhouding tussen werkenden en niet werkenden. Doe je gemakshalve het berekende netto inkomen keer twee, dan hebben we iets wat lijkt op een 'bruto modaal inkomen'. Aangezien modaal in de kern een statistische term is, kan dat echter soms verwarring veroorzaken. Daarom wordt er vanaf hier in verdere uiteenzettingen er de voorkeur aan gegeven om te spreken van een (netto of bruto) 'basaal inkomen'.

Boerin giet na het melken de melk over in de melkbus, ca 1960.
(Bron: Nationaal Archief)
Het interessante is hier bovenal dat dit 'bruto basale inkomen' inderdaad een ijkpunt is, waarmee je heel goed in de huidige economie kunt duiken en de prijzen van alle waren mee kunt vergelijken. Het allereerste wat je nu kunt doen is dit bruto basale inkomen te relateren aan de prijs van alle betrokken producten in het 'mandje'. Zo kun je bijvoorbeeld tot een prijs van een liter melk komen die dit dekt.
Bovenop deze literprijs komt er nog een opslag voor de bedrijfskosten. Deze vormden een aparte factor naast de bepaling van het netto basale inkomen. Daar kan de rente in zitten voor leningen bij de bank en de afschrijvingen op gebouwen, grond en machines en de voedingsmiddelen voor de koeien. Deze opslag wisselt nogal per productgroep en daarbinnen ook per bedrijf. Voor een eerste check kan prima een uniforme opslag voor een productgroep genomen worden om later te verfijnen. (4)

Reclame met melkprijzen, ca 1930.
(Bron: Wikimedia)
De prijs van melk die zodoende berekend wordt, kan nu vergeleken worden met de actuele marktprijs van dat moment. Is deze lager of hoger? Evenzo kun je de producten uit het mandje afzonderlijk bepalen. Combineert men deze uitkomsten, dan kom je ook tot een prijs van het productmandje die je met de marktprijs kunt vergelijken. Is de marktprijs hoger, dan hebben de fictieve boeren in elk geval een fatsoenlijk inkomen. Is ie lager, dan niet.
Het gaat nu verder: als de marktprijs hoger is, dan moet het zo zijn dat er andere inkomens in de economie zijn die meer betalen dan nodig is.

Boeren geven uit protest tegen lage prijzen aardappelen weg in Den Haag, februari 1964.
(Bron: Nationaal Archief)
Wat gebeurt hier nu eigenlijk? Er is bepaald wat een fatsoenlijk inkomen is voor het werken aan het dagelijks brood in Nederland. Dit 'basale' inkomen is gerelateerd aan de opbrengst van een fictief stuk grond dat als basis beschouwd kan worden van onze economie. Hieruit resulteren prijzen van een aantal landbouwproducten die nodig zijn voor de bedrijfsvoering en om in dat fatsoenlijke inkomen voor boeren te voorzien. Daarnaast is er de bruto opslag waarmee tal van publieke voorzieningen bekostigd worden.
Dit alles op basis van de inrichting van onze huidige samenleving. De basisprijzen die daardoor ontstaan, vormen naar twee kanten toe een graadmeter: naar producenten en naar consumenten. Ontvangen producenten wel voldoende voor hun inspanningen of kunnen consumenten het wel betalen?
De landbouw is als uitgangspunt genomen, maar in essentie kan de hele verhouding tot de grond in de economische geleding van een bepaald gebied als basis voor de prijsvorming in aanmerking komen. Dit geldt bij uitstek voor woonruimte en voor aanwezige grondstoffen, zoals gas (in het Nederlandse geval) en, jazeker, voor wind- en zonne energie.
De basisprijzen fungeren vanzelfsprekend ook als graadmeter voor de relatie tot import en export en daarmee producenten en consumenten wereldwijd. Dat je daarbij om te beginnen op moet letten of je niet je eigen boeren aan het wegconcurreren bent en vice versa of je door je export boeren elders een te laag inkomen bezorgd, dat moge duidelijk zijn! (5)

Het 'boodschappenmandje' van het CBS kent 14 categorieën.
(Bron: CBS)
In onze huidige samenleving wordt ook permanent een boodschappenmandje gemonitord. Over het algemeen is dit richtsnoer voor vakbondsonderhandelingen, waarbij bij algemene prijsstijgingen gepleit wordt voor het meestijgen van de CAO lonen. Soms, zoals bij de forse stijging van de energieprijzen in 2022, wordt er gericht actie ondernomen. Een typisch voorbeeld van gericht prijsbeleid om consumenten te behoeden voor te hoge prijzen, is het limiteren van huurverhogingen.
Aan de producentenkant probeert men vaak boeren te beschermen tegen te lage prijzen. Ooit hanteerde men in de EU een uitgebreid stelsel van minimumprijzen. Omdat dit beleid leidde tot enorme productie overschotten, waaronder boterbergen en melkplassen, bedacht men allerhande maatregelen om dit weer tegen te gaan. Zo was er het melkquotum dat de productie per boer inperkte. Toen dat in 2015 werd afgeschaft, werd de melkprijs afhankelijk van schommelingen op de wereldmarkt.
Het wezenlijke verschil ten opzichte van de huidige praktijk is dat hier uitdrukkelijk voor grond van een bepaald gebied als een reëel fundament van de economie wordt gekozen. De prijzen van dit fundament fungeren als economische thermometer. Zonder meer prijzen of inkomens verhogen of verlagen is niet aan de orde; als je temperatuur omhoog wilt krijgen pas je niet de thermometer aan, maar ga je meer stoken of ramen dicht doen. Het gaat om het zoveel mogelijk vanaf de basis van de Nederlandse economie zicht krijgen op de reële achterliggende waardevormende processen.

Boerenprotesten tegen stikstofbeleid:
wegblokkade bij vliegveld Eindhoven, juli 2020.
(Bron: Wikimedia)
In het geval van de juiste melkprijs loop je hier ook direct tegen de problemen van de intensieve landbouw aan, zoals die de afgelopen jaren bij uitstek zichtbaar werden in de problemen rond stikstof. Er is daarbij vooral de nadruk op het inkrimpen van de veestapel door middel van het uitkopen van boeren komen te liggen.
Vanuit de hier voorgestelde benadering zou het behoorlijk anders gaan. Je kunt de vraag stellen hoeveel de literprijs zou moeten zijn op basis van ons eigen productmandje, waarbij de melkveehouder stikstofneutraal zou kunnen opereren. Naar blijkt, is dit laatste het geval bij biologische melk. De prijs die hiervoor momenteel in de supermarkten gevraagd wordt is zo'n 30 procent duurder. Boeren krimpen dan wel hun productie in, maar krijgen ook meer betaald. Er hoeft niet uitgekocht te worden en boeren blijven behouden. Het gaat er nu niet om dat dit een andere mogelijkheid is, maar dat er een duidelijk verband is tussen het eigen stuk grond van iedere Nederlander en de wijze waarop er geproduceerd wordt. Het raakt direct aan ons eigen inkomen. (5)


Een liter 'stikstofmelk' uit de intensieve landbouw kost € 1,05.
De biologische variant kost doorgaans zo'n 30% meer: € 1,45.
(prijzen AH februari 2026)
Denk je deze grondslag van economie door, dan zie je dat het uitdrukking is van de rode draad die vanaf het begin bij het bespreken van de driegeleding (deel 2) aan de orde is gekomen: betrokkenheid van de individuele burger bij het vormgeven van onze samenleving. Bij de economische geleding zie je dit de vorm aannemen van een rechtstreekse relatie van iedere burger met de basis van de prijsvorming.
Iedereen heeft als het ware letterlijk een aandeel in de grond: we hebben er belang bij dat degenen die dat stuk grond voor ons bewerken een fatsoenlijk inkomen hebben en wij allen hebben recht op een deel van de opbrengst.
Afgezien van het melkprijs voorbeeld, wat zal nu uiteindelijk het inkomen zijn van de fictieve boer van ons productmandje op basis van de hele tot nu toe geschetste exercitie? Het zal nogal verschil maken of hij alleenstaand is of samenwoont en eventueel kinderen heeft. Is hij alleenstaand, dan ontvangt hij bovenop het netto bedrag bijvoorbeeld de premie die nodig is voor de ziektekostenverzekering. Voor eventuele kinderen komt er kinderbijslag en dergelijke bij.
Wat het inkomen van zijn eventuele partner is, raakt aan de vraag naar inkomensvorming in de samenleving. Er is met het hierboven vastgestelde 'fatsoenlijke' inkomen voor de boer eigenlijk een norm gesteld voor tal van essentiële beroepen. Een inkomen kan daar boven of onder zitten. Middels de bruto opslag worden daarbij beroepen in de zorg en het onderwijs gefinancierd en daarmee ook de inkomens van docenten, artsen en dergelijke.

Particulier grondbezit betekent in de huidige praktijk vaak dat een kleine minderheid verreweg de meeste grond bezit.
Bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk.
(Bron: Three Acres and a cow)
Op basis van gegevens uit 2001, uit: Who Ownes Britain van Kevin Cahill.
Voor NL nog in onderzoek, zie alvast: 'Van wie is de grond in Nederland' (Volkskrant, 20-11-2020)
Al met al zie je hier op een onorthodoxe manier particulier bezit aan de basis van de economie komen te staan. Weliswaar is dit in het bovenstaande als een voorbeeld uitgewerkt waarbij er op basis van de bestaande eigendomsverhoudingen aangegeven is hoe je een en ander kunt vormgeven, maar daarin drukt zich toch wel degelijk de gedachte uit dat iedereen grondeigenaar is. Iedereen is als het ware aandeelhouder vanaf de geboorte en als iemand overlijdt gaat diens aandeel weer over in het geheel.

Kolchoz boeren poseren naast een tractor, 1958
(Bron: Wikimedia)
Natuurlijk ligt hier de tegenwerping voor de hand dat als iedereen eigenaar is, je juist van collectief bezit moet spreken. Als je niet oppast, is er feitelijk sprake van staatsbezit. In de Sovjet Unie zijn vanuit vergelijkbare gedachten alle boeren onteigend en overgebracht in gigantische staatsboerderijen, de zogenaamde 'kolchozen' en 'sovchozen', met alle gevolgen van dien: lege schappen en rijen voor de winkels.

DDR: een rij voor wintermutsen, Leipzig 1980
(Foto's van rijen zijn zeldzaam, want het fotograferen ervan was streng verboden. Bron: Wikimedia)
Deze tegenwerping raakt nog aan een ander punt: als prijzen van basisproducten gestuurd worden en boeren als het ware een gegarandeerd fatsoenlijk inkomen ontvangen, hoe zit het dan met het stimuleren van ondernemersinitiatief?
In algemene zin is in voorgaande delen al besproken dat het bij Steiner toch echt gaat om prestatie en tegenprestatie en wel in een consequentere vorm dan nu gebruikelijk. Een terugkerend gezichtspunt in de economische geleding is daarbij het creëren van een solide basis van waaruit juist méér ondernemerschap mogelijk is.
Zo zou grond niet koopbaar moeten zijn omdat het concurrentievervalsing en prijsopdrijving in de hand werkt. Steiner maakt daarom expliciet onderscheid tussen beheer en eigenaarschap. Om boerderijen (en allerlei andere soorten bedrijven) te laten floreren heb je kennis en kunde nodig. Idealiter zou je grond dan wel niet moeten kunnen verkopen, maar het beheer ervan is afhankelijk van capabele individuen. Je dient deze daarin verder geen enkele beperking op te leggen. Mooie gedachten; maar hoe ziet Steiner dat dan voor zich?
Zie deel 12: Bedrijfsvoering en beloning
1 De relatie met de buitenlandse handel wordt hier bewust even buiten beschouwing gelaten. Dat komt nog aan de orde. Voor de basis van de prijsvorming is het nu juist niet relevant, heb je deze eenmaal geformuleerd, dán kun je allerlei invloeden daarop gaan onderzoeken.
2 In onze huidige samenleving heeft dit onderscheid grote veranderingen ondergaan. In de 20e eeuw, nog tot in de jaren 80, hanteerde men bij CAO onderhandelingen het traditionele 'kostwinnersmodel', waarbij het inkomen van 'de man' voldoende moest zijn om een gezin met ('huis')vrouw en kinderen te onderhouden. Naar analogie van het modale inkomen, richtte men zich bij het economische beleid op 'Jan Modaal' (ook wel 'Jan met de pet'). Wie toen de facto tweeverdiener was, al dan niet met een LAT relatie, had vaak een enorm voordeel. Vanaf de jaren 90 is, mede door de vrouwenemancipatie en algehele individualisering, het 'tweeverdienersmodel' de norm geworden, met de opkomst van 'DINKY-couples' (Double Income, No Kids Yet) en kon Jan Modaal geen gezin meer onderhouden van zijn inkomen.
3 Je hoeft daarom ook alleen maar op de grond te zitten om dit in waarde te zien toenemen zonder dat je hier ook maar enige inspanning voor levert.
4 Consequent geredeneerd zijn deze bedrijfskosten weer het inkomen van anderen elders in de economie. Daardoor kan de gekozen bruto factor wel een slag lager uitpakken, maar daar komt men dan zeker wel op uit. Eerst houvast vinden, dan verder verfijnen is het adagium.
5 Vanaf deel 15 komt dit in het kader van arbeidsdeling en wereldeconomie nog nader aan de orde. Nog even geduld svp!
6 Hiermee kun je ook meteen mooi een koppeling waarnemen tussen de economische geleding en de rechtsgeleding als het gaat om het vaststellen van de grenzen tussen arbeid en arbeidsprestatie, tussen natuur en economie. Vanuit de rechtsgeleding bepaalt men democratisch de arbeidsomstandigheden en de natuurbescherming, vanuit de economische geleding kan hier direct concreet een prijskaartje aangehangen worden. Denk ook aan het vragen zoals het wel of niet gebruik van bestrijdingsmiddelen.

Een stap verder gaat de door Steiner ontwikkelde 'Biologisch Dynamische' landbouw: onbespoten, geen kunstmest, ruimte voor natuur er omheen en geen monoculturen op een boerderij, maar liefst meerdere gewassen en veeteelt door elkaar heen. Je krijgt dan wél een hoger prijskaartje. 1 liter BD volle melk is nu maar liefst € 2,09. (Odin, prijs februari 2026))