Deel dit artikel:
20/05/2026
Deel 14
"Geld zal verslijten, zoals waren verslijten"

Via geld kan men aanspraken op prestaties doen gelden. We hebben eerder behandeld dat deze prestaties in het economisch proces warenkarakter zou moeten krijgen. Logischerwijs zou iets dergelijks dan ook voor geld moeten gelden:
"Als we het geld in een zuivere ruil gebruiken als iets van gelijke waarde, dan hebben we ten opzichte van bederfelijke producten geenszins een echte concurrent, want het geld is waarachtig een oneigenlijke concurrent omdat het onder normale omstandigheden niet lijkt te ‘bederven’. Ik zeg dit met nadruk: niet lijkt te bederven. Hier zien we wat in het economische iets ongezonds binnen brengt: wanneer men andere verhoudingen in de economie binnenbrengt dan die in de werkelijkheid spelen. We hebben aan de ene kant met bestaande regelingen te maken die erop neerkomen dat geld onder alle omstandigheden zijn getalsmatige waarde heeft, ongeacht de positie er van in het sociale leven. – Geld heeft zijn numerieke waarde en behoudt deze waarde. In werkelijkheid behoudt het deze waarde echter niet." (1)


100 gulden bankbiljet Michiel de Ruijter
(in roulatie 1970-1977)
Steiner spreekt eigenlijk vanuit twee gezichtspunten: geld zoals we dat heden ten dage geregeld hebben en geld als uitdrukking van de onderliggende processen van prestatie en tegenprestatie die in de economie een rol spelen.
Dit kan nogal verwarrend zijn. Daarom is het zaak om hier stapsgewijs eerst zijn omschrijvingen van geld in beschouwing te nemen.
“Het geld zal in het gezonde sociale organisme werkelijk alleen waardemeter zijn; want achter ieder geldstuk of geldbiljet staat de warenprestatie op basis waarvan de geldbezitter alleen aan het geld gekomen kan zijn." (2)
“Geen enkele soort geld kan iets anders zijn dan louter uitdrukking van de som van de inzetbare productiemiddelen die er in een bepaald gebied zijn (..), teruggebracht tot hetgeen waarin zij zich het gemakkelijkst laten uitdrukken” (3)


100 gulden bankbiljet 'de Snip'
(in roulatie 1977-1992)
Als Steiner nu zegt dat geld in werkelijkheid zijn waarde niet behoudt, dan bedoelt hij daarmee niet zozeer inflatie zoals we dat over het algemeen als economisch begrip hanteren. Het gaat hem daarbij in de eerste plaats om geld als uitdrukking van de onderliggende waarde van producten die vanuit het waardevormende proces ‘arbeid toegepast op natuur’, in een bepaald gebied zijn voortgebracht. Deze producten zijn van nature onderhevig aan een of andere vorm van afnemende waarde, zoals bederf bij landbouwproducten of slijtage bij allerlei soort dingen. Aangezien geld daar in elk geval ten dele op gebaseerd is, kun je ook los van Steiner stellen dat geld vanuit dit standpunt bezien sowieso zijn waarde niet behoudt.
We hebben echter allerlei andere regelingen in samenhang met geld geschapen waardoor geld in waarde kan toenemen.
De lezer voelt het nu wellicht al aankomen: het gaat Steiner er om dat ook geld in zekere zin warenkarakter moet krijgen. Of misschien zou je moeten zeggen; méér warenkarakter dan het nu heeft.


100 gulden bankbiljet Steenuiltje
(in roulatie 1992-2002)
In de economische handboeken wordt bij het definiëren van geld weinig aandacht besteedt aan de onderliggende waarden die door geld gerepresenteerd worden. Doorgaans wordt geld in de eerste plaats omschreven als een gebruiksvoorwerp met bepaalde eigenschappen.
Zo staat het bijvoorbeeld op Wikipedia:
- In de gangbare definitie is geld ieder goed, materieel of immaterieel, dat de volgende drie functies vervult:
Betrouwbaar ruilmiddel: geld is een algemeen geaccepteerd goed dat directe ruil van andere goederen overbodig maakt.
Rekeneenheid: geld is een uniforme maat voor koopkracht (economische waarde), waarin de waardes van verschillende goederen kunnen worden uitgedrukt en vergeleken. Zo kunnen we zeggen dat een pak melk € 1,- waard is, een brood € 2,- en dat een brood dus twee keer zoveel waard is als een pak melk.
Oppotmiddel: geld is een opslagmedium voor koopkracht, om deze naar de toekomst over te hevelen (spaarmiddel).
(..) Ieder goed dat de drie functies vervult is dus economisch gezien geld, of het nu goud, zout of papier is. Een goed dat één, twee of geen van de functies vervult is geen geld.
Om deze drie functies goed te kunnen vervullen, wordt doorgaans aanvullend betoogd dat geld makkelijk deelbaar zou moeten zijn en eenvoudig mee te nemen. Vaak wordt er nog ten overvloede aan toegevoegd dat geld 'duurzaam' moet zijn, dus niet aan bederf of slijtage onderhevig.

Oud stenen geld op de Yap eilanden; goed zichtbaar en niet makkelijk te transporteren
(Foto uit 1971, bron: wikimedia)
Deze omschrijving van geldeigenschappen zijn vrijwel compleet hetzelfde als honderd jaar geleden. Steiner becommentarieerde ze destijds al. Hij vond ze nogal vaag:
“ Nu vind u in economische discussies allerlei mooie uitspraken over het wezen van geld. (..) Er wordt betoogd dat geld in de eerste plaats een algemeen erkende waarde zou moeten hebben. Dan is het natuurlijk van belang wie in dat geval degene is die deze erkenning verleent. Want door op te merken dat geld een algemeen erkende waarde zou moeten hebben, heeft men nog helemaal niets gezegd; men heeft er daarmee slechts op gewezen dat het een eigenschap moet hebben, maar helemaal niet hoe men deze eigenschap kan verkrijgen.
De tweede eigenschap is nóg merkwaardiger: er wordt gezegd dat geld heel klein van omvang moet kunnen zijn en desondanks, omdat het schaars is, een hoge waarde moet kunnen hebben.
Wanneer geld heel groot zou zijn, dat heeft Lycurgus al ingezien (4), zou zeker veel zichtbaarder worden wie rijkdom vergaard heeft. Wanneer geld klein is, maakt deze eigenschap het bij uitstek geschikt om makkelijker te kunnen bewaren en dat op zich vormt al een relatieve prikkel tot verrijking, want als twintigmarkstukken zo groot zouden zijn als een molensteen dan zou het een stuk moeilijker zijn om ze te bewaren. Het zou met het rijk worden niet zo makkelijk gaan als nu; men zou het rijk worden eerder opmerken en dergelijke.
Vervolgens wordt er gezegd dat geld naar believen deelbaar moet zijn. (..) Maar dat kan men toch ook niet uitvoeren dan door een of andere erkenning door iets wat eerst gewaarborgd wordt. Dat is dus nogal vaag. En dan wordt nog gezegd dat het eenvoudig moet zijn om geld te bewaren. Welnu, met deze laatste eigenschap zullen we in zijn volle betekenis worden geconfronteerd wanneer we onze beschouwing van vandaag echt gaan beginnen.” (5)
De eigenschappen in relatie tot omvang en deelbaarheid zijn nauw verbonden met het gemak waarmee je geld kunt bewaren en oppotten. Het zou logisch zijn om hier in de economische handboeken eens wat meer aandacht aan te besteden. Je kunt geld ook te makkelijk verplaatsen en op allerlei onzichtbare plekken oppotten. Zo’n vijftig jaar geleden was het bijvoorbeeld nog een heel gedoe om geld de grens over te laten gaan. Heden ten dage is het zeer efficiënt geregeld. Met één druk op de knop sluis je zomaar miljarden van de ene bankrekening naar de andere; indien gewenst, naar de andere kant van de wereld. (6)

Yap steen: het zwaarste gevonden exemplaar woog 6 ton
(Bron: wikimedia)
Eigenlijk is het vooral de mogelijkheid om geld in vergaande mate te laten fungeren als oppotmiddel, waarmee in feite de aan het begin van dit deel vermelde ‘oneigenlijke concurrent’ van waren ontstaat.
Rente speelt daarbij een sleutelrol. Rente is een nauw met de functie van geld als oppotmiddel verwante regeling. De rente die men ontvangt kan men ook weer op een spaarrekening zetten. Dit noemen we ‘rente over rente’.
Een voorbeeld: Als je een bedrag van € 1000 op een spaarrekening zet tegen een rente van 3% en vervolgens de rente ook telkens op de rekening laat staan, dan staat er na een periode van 10 jaar € 1344 op de bank.
Dit bedrag is niet meer hetzelfde waard als aan het begin van de 10-jaarsperiode. Stel dat de jaarlijkse inflatie 2% bedroeg, dan zou het geld als je het thuis in een la had laten liggen, na 10 jaar nog slechts een 'koopkracht' van € 817 hebben. Corrigeer je die € 1344 voor de gestage inflatie, dan neemt de feitelijke waarde jaarlijks met 1% toe en is je geld omgerekend na 10 jaar in reële zin €1105 waard geworden. Het geld heeft niet alleen de oorspronkelijke koopkracht behouden, maar deze is ook nog eens toegenomen.
Vergelijk je dit nu met een hoeveelheid aardappelen van € 1000, dan wordt de zaak een stuk inzichtelijker. Om over tien jaar op zijn minst dezelfde hoeveelheid aardappelen te hebben, moeten er jaar in jaar uit opnieuw aardappels gepoot en geoogst worden. Koop je na 10 jaar van je spaargeld voor € 1000 aardappelen, dan is er jaren hard voor gewerkt. Geld opzij zetten kan voordelig zijn, maar geld zelf werkt niet.

“Wie geld opzij zet, heeft zeker prestaties geleverd die hem op latere ‘waren-tegenprestaties’ aanspraak laten hebben zoals huidige prestaties tegen huidige tegenprestaties geruild kunnen worden. Maar dergelijke aanspraken kunnen slechts tot een bepaalde grens gelden; want uit het verleden gemaakte aanspraken kunnen alleen door arbeidsprestaties in het heden bevredigd worden. Dergelijke aanspraken mogen niet tot een economisch dwangmiddel worden. (7)
Met andere woorden: door je eigen consumptie op basis van je eigen (economische) prestatie uit te stellen kun je later aanspraak maken op de prestatie van iemand anders. Iemand anders gaat met je spaargeld werken en zorgt er voor dat het zijn waarde blijft behouden en veelal meer dan dat. Iemand anders werkt voor jouw geld.
Wederom zie je hier het principe optreden dat je er vanuit Steiner's optiek ook bij geld voor moet zorgen dat economische aanspraken op basis van het verleden op een gegeven moment eindig zijn.

"Geld zal verslijten, zoals waren verslijten"
(Afbeelding: wikimedia)
“Het geld zal in het gezonde sociale organisme werkelijk alleen waardemeter zijn; want achter ieder geldstuk of geldbiljet staat de warenprestatie op basis waarvan de geldbezitter alleen aan het geld gekomen kan zijn. (..) Het geld zal verslijten, zoals waren verslijten. (..) ‘Rente op rente’ kan er niet meer zijn.” (8)
‘Rente over rente’ fungeert als een soort multiplicator van aanspraken op prestaties. Wanneer bijvoorbeeld na een jaar de 3% rente (€ 30) voor de € 1000 ook weer vastgezet wordt, dan krijg je aan het einde van het tweede jaar naast de €30 voor € 1000 nog eens € 0,90 voor de eerste ontvangen € 30. Deze € 0,90 is een aanspraak die gemaakt wordt op prestaties, op basis van prestaties (€ 30) waarop aanspraak gemaakt is op basis van prestaties (€ 1000) die ooit zelf geleverd zijn. Excuses voor deze zin, maar het moest even. Het zou een prachtige zinconstructie opleveren als je zou moeten omschrijven wat er zo bezien wel allemaal niet voor aanspraken worden gemaakt in het tiende jaar. De prestatieaanspraken stapelen zich als het ware op.
Zodoende kan geld als oppotmiddel tot een “dwangmiddel” worden waarbij de geldbezitter steeds meer een aandeel krijgt in de prestaties van anderen, zonder zelf nog enige prestatie daarvoor te leveren.

'Rente op rente'
Een bedrag van € 100 tegen 5% rente is na 15 jaar verdubbeld
(Bron: wikimedia)
Steiner's uitspraak 'geld zal verslijten, zoals waren verslijten' kan dan ook voor de helderheid aangevuld worden met de toevoeging ' zoals aanspraken op prestaties verslijten’. Rente kan dergelijke ‘slijtage’ tegen gaan, maar niet zodanig dat je ook nog eens 'rente over rente' zult ontvangen. Eigenlijk kun je de achterliggende logica hiervan ook mooi zien in samenhang met de eerder (in deel 13) besproken problematiek rond aandelen in bedrijven.
In dit licht bezien is het nuchtere onderliggende commentaar van Steiner van honderd jaar geleden zo relevant als het maar kan: de eigenschappen van geld zijn helemaal niet zo vanzelfsprekend. Het zijn geen natuurwetten, maar door mensen geschapen regelingen.
Naar zijn mening zullen er derhalve regelingen moeten komen die de werking van geld meer gaan beperken ten opzichte van de huidige modus operandi.
Hoe ziet hij dat voor zich? Zie daartoe deel 15
Noten:
1 NK 179
2 KP 92
3 NK 210
4 Lycurgus wordt door de oude Grieken vermeld als dé wetgever uit Sparta, die naar verluidt een verbod op het gebruik van goud en zilver voor geld uitvaardigde. IJzeren staven werden wel erkend. Gevolg was dat het erg zichtbaar was om een grote hoeveelheid geld te hebben en erg omslachtig om ze te transporteren. Bovendien zou het ijzergeld ook nog onbruikbaar zijn gemaakt voor andere doeleinden door bij het smelten het roodgloeiende ijzer in azijn te dompelen.
5 NK 177
6 Zoals naar allerlei belastingparadijzen: zie artikel 'Belastingontwijking en corruptie'
7 KP 92
8 KP92