Deel dit artikel:
31/05/2026
Deel 15
Koopgeld, leengeld, schenkgeld

Zoals gezegd, kan het verwarrend zijn als Steiner over geld spreekt. De ene keer spreekt hij over geld vanuit het perspectief van de huidige regelingen, de andere keer vanuit het gezichtspunt van allerlei onderliggende economische processen die in geld feitelijk al werkzaam zijn, maar waarvan maar weinig notie genomen wordt.
“Vlees begint te rieken vanaf de tijd waarin het volgens zijn eigenschappen kan beginnen te rieken; geld doet dat niet, in welke kwaliteit het ook voorkomt. (..) En toch moeten we zeggen: wanneer een of ander artikel door welke omstandigheden ook op een bepaald moment duurder of goedkoper geworden is, terwijl dat artikel op zich op basis van zijn eigen kwaliteiten in het leven van de mensen dezelfde waarde moet behouden (..) dan is het geld daardoor puur als ruilmiddel een oneigenlijke concurrent, omdat het op de een of andere manier niet laat zien dat het eigenlijk ook aan veranderingen onderhevig is. (..) Economisch beschouwd is het zo dat het geld gewoon door het economische proces zelf veranderingen doormaakt. En we moeten nu de gelegenheden opzoeken waar het geld veranderingen doormaakt. Buiten het gebruikelijke koopgeld hebben we het leengeld dat iemand dus krijgt om een of andere onderneming mee te beginnen. Dat leengeld is voor hem geen koopgeld, maar wordt ondernemersgeld.” (1)

Claude Monet, stilleven met vlees (1864)
(Bron: wikimedia)
Deze uitspraken over koopgeld en leengeld worden makkelijker te begrijpen door te kijken naar een voordracht van Steiner van een paar dagen eerder, waar deze begrippen ter sprake kwamen vanuit het gezichtspunt van een schoenmaker die opeens iets anders kan gaan doen:
“De schoenmaker zou, nadat hij mij zijn schoenen heeft verkocht,(...) kunnen besluiten daarmee iets heel anders te doen dan een paar nieuwe schoenen te maken. Hij zou er iets mee kunnen doen waarin hij zijn vernuft legt, zodat deze 20 mark voor hem plots een geheel andere waarde zou hebben dan de waarde van een paar schoenen. Op het moment dat we namelijk de waar in geld hebben omgezet, dus eigenlijk in recht, blijft óf het recht gelden – ik koop met de 20 mark iets voor mezelf dat gelijkwaardig is aan het paar schoenen (dat hij net verkocht heeft EB)- óf ik doe voor mijn vernuft met het geld iets wat in het economisch proces iets geheel nieuws voortbrengt.” (2)
Steiner spreekt hier over geld als uitdrukking van het waardevormende proces ‘geest toegepast op arbeid’, maar in een heel specifieke betekenis.
Om dit goed te begrijpen, is het handig om geld te zien als uitdrukking van het ‘pakketje grondopbrengst’ voor iedere Nederlander, dat de stand van zaken van de economische mogelijkheden van een bepaald gebied representeert. (Uitvoerig besproken in delen 10 en 11)

Jakob Böhme
"Anno 1594, meester schoenmaker (..) schreef 31 diepzinnige of mystieke boeken"
(Tekst en afbeelding uit 1686. Bron: wikimedia)
Wat Steiner 'koopgeld' noemt, is eigenlijk de uitbetaling in geld van het aandeel ‘pakketje grondopbrengst’ van de werkzame beroepsbevolking. Voor de schoenmaker in het voorbeeld is dit zijn inkomen, waarmee hij in zijn behoeften kan voorzien tot de volgende uitbetaling van zijn inkomen. (Nog strakker gedefinieerd: tot de fabricatie van het volgende paar schoenen.)
Stel nu dat hij besluit helemaal niets meer te doen. Dan komen er minder schoenen op de markt. Het gevolg zal zijn dat de prijzen van schoenen stijgen: het pakketje grondopbrengst wordt minder waard. Dat is hier alleen niet het geval; hij besluit iets te gaan ondernemen. Dat kan van alles zijn; Steiner wijst op het voorbeeld van schoenmaker Jakob Böhme die begin 17e eeuw bekend werd als mysticus-filosoof.(3) Voor het betoog hier is het toch handiger om met een wat praktischer voorbeeld te komen. Stel nu dat de schoenmaker het werk neerlegt en zijn tijd gaat steken in het uitvinden van met 'Artificial Intelligence' op maat gemaakte schoenen die beter én goedkoper zijn dan de schoenen die hij tot nog toe maakte. Mocht hij succesvol zijn, dan krijgen klanten nu meer ‘waar’ voor hun geld. Hiermee is het pakketje grondopbrengst van iedereen logischerwijs eveneens meer waard geworden.
In zekere zin liet deze schoenmaker terwijl hij bezig was met het uitvinden, de gemeenschap extra werken omdat hij even zijn gangbare taak niet deed; nu hij klaar is heeft hij de gemeenschap een dienst bewezen. Steiner betoogt in feite dat in deze gang van zaken geld zelf van karakter verandert. Op het moment dat de schoenmaker besluit wat anders te gaan doen, verandert het oorspronkelijke ‘koopgeld’ daarmee in ‘leengeld’, door Steiner ook wel 'ondernemersgeld' genoemd:
“Buiten het gebruikelijke koopgeld hebben we het leengeld, dat iemand dus krijgt om een of andere onderneming mee te beginnen. Dat leengeld is voor hem geen koopgeld, maar wordt ondernemersgeld. Dit (..) heeft een wezenlijk andere waarde, een wezenlijk andere kwaliteit. Het is in de kern van de zaak iets heel anders dan koopgeld. Want wanneer het leengeld in omloop komt, gaat het erom dat de menselijke geest ingrijpt, dat het menselijk denken ingrijpt en door dit ingrijpen krijgt het zijn werkelijke waarde.” (4)
Natuurlijk is leengeld niet per definitie puur ondernemersgeld, er zijn nog geheel andere zaken waar leengeld van pas komt. Bijvoorbeeld financiering voor de verbouwing van een badkamer, een nieuwe auto, een huis et cetera. Een ander punt is dat de schoenmaker in kwestie zijn nieuw ontworpen schoenen over het algemeen niet met zijn eigen geld geheel zal kunnen financieren. Anderen werken niet alleen voor hem terwijl hij loopt te sleutelen aan zijn nieuwe producten in wording, maar de spaarders onder hen helpen dergelijke projecten feitelijk financieren indien ze dit stallen bij banken die het weer uitlenen. (5)

Jonge ondernemer Steve Jobs;
presentatie van de Apple Macintosh in 1984
(Bron: wikimedia))
Is de schoenmaker succesvol, dan lost hij zijn leningen af; daarbij transformeert als het ware het leengeld weer in koopgeld, dat bovendien meer waard is geworden. Zou het hele 'AI project' daarentegen uitgedraaid zijn op een grote mislukking, dan heeft onze schoenmaker niet gepresteerd en zit hij in de schulden. Het oorspronkelijke ‘leengeld’ heeft nu een andere kwaliteit gekregen. Zou hij moeten overwerken om alsnog zijn schulden af te lossen, dan transformeert het leengeld uiteindelijk weer tot koopgeld, dat dan weer de oorspronkelijke waarde heeft behouden.
Zou de gemeenschap hem volledig failliet verklaren en hem verlossen van de schulden dan gebeurt er weer wat anders. Een mislukte onderneming die op deze wijze wordt afgeschreven is een vorm van 'schenkgeld'. Dat is de derde ‘soort’ geld die Steiner expliciet naast koopgeld en leengeld onderscheidt:
“En nu gaan we over van het leengeld naar het schenkgeld (..) het speelt de grootst mogelijke rol in het economische proces. Schenkgeld is in feite al het geld dat aan opvoeding en onderwijs wordt uitgegeven en dat speelt een enorme rol in het economische leven. Schenkgeld is ook alles wat aan stichtingen wordt uitgegeven en alles wat ervoor zorgt dat kapitaal zich niet op een verstorende manier ophoopt in grond door kapitalisatie er van, waardoor de economie juist wordt verziekt. “ (6)
In deel 11 was er tevens sprake van dat de werkzame beroepsbevolking feitelijk ook het pakketje grondopbrengst verzorgd voor allerlei niet werkenden, zoals kinderen, zieken en ouden van dagen. Daarvoor was in deel 7 al duidelijk gemaakt dat bij zorg, opvoeding en onderwijs geen sprake was van het economische principe van prestatie en tegenprestatie. Dit 'niet presteren' is nu in essentie deel van wat Steiner 'schenkgeld' noemt. Bij zorg, opvoeding en onderwijs is dit in onze samenleving al grotendeels als een soort collectieve schenking geregeld. Schenkt men nu geld aan een goede doelen stichting, dan heeft die schenking individueel karakter.
Fondsenwerfactie Nederlandse Hartstichting, 1985
(Bron: wikimedia)
Zodra je privé een donatie doet aan bijvoorbeeld het Wereldnatuurfonds of de Nederlandse Hartstichting transformeer je eigenlijk koopgeld in schenkgeld. Op korte termijn overheerst veelal het consumptiekarakter en werkt schenkgeld aanvankelijk waardeverminderend. Eigenlijk worden de ontvangers van schenkgeld immers vrijgesteld van het meewerken aan het 'pakketje grondopbrengst' op een gegeven moment. Op langere termijn kunnen schenkingen zoals donaties aan tal van goede doelen kunnen juist weer op allerlei manieren extreem productief uitpakken voor de economie, met name wat betreft 'toekomstige prestaties'. Bijvoorbeeld gezondere mensen, gezondere leefomgeving et cetera. (7)
In dit verband nog even terug naar ondernemers die failliet gaan. Tot in de negentiende eeuw konden bij een faillissement van een onderneming de schulden de eigenaar diens hele leven blijven achtervolgen. Leengeld werd zo als het ware nooit tot schenkgeld. Tegenwoordig kun je eenvoudig een besloten vennootschap (B.V.) oprichten: een onderneming kan dan failliet gaan zonder dat de eigenaar hier met zijn privé vermogen voor moet betalen. Met het einde van de B.V. eindigen in principe overgebleven schulden: leengeld wordt tot schenkgeld. (Ergo: schenkgeld is goed voor het ondernemersklimaat.)

Binnenplaats van Fleet Prison in Londen, 'debtor's prison', 1808
Tot in de 19e eeuw kwamen veel ondernemers in het geval van een failissement in een speciale gevangenis voor mensen met schulden.
Vaak moest er zelfs voor kost en inwoning betaald worden.
(Bron: wikimedia)
De drie soorten geld die Steiner onderscheidt hangen direct samen met soorten activiteiten en hun relatie tot economische productiviteit. De onderverdeling in koopgeld, leengeld en schenkgeld is een nogal abstracte weergave. In de weerbarstige werkelijkheid zijn hier tal van fluïde overgangsvormen te onderscheiden.
“U hebt dus drie soorten geld, die kwalitatief geheel verschillend van elkaar zijn, (..) Hoe koopgeld, leengeld, schenkgeld zich echter tot elkaar verhouden, dat kan alleen worden beoordeeld wanneer we economische verbanden (..), die op een bepaalde manier een soort gesloten gebied vertegenwoordigen, nauwkeurig bekijken. “ (8)
Vanuit een ander gezichtspunt zijn sommige van deze ‘economische verbanden’ in deel 8 bij zaken als de financiering van onderwijs en opvoeding besproken. ‘Gratis’ onderwijs of ‘gratis’ kinderopvang zijn vraagstukken die bij uitstek met schenkgeld te maken hebben. Daar kwam ook aan de orde dat er een prijskaartje aan schenkgeld zit, dat je weer af moet wegen tegen bepaalde nadelen die aan leengeld zitten; het is telkens een kwestie van met elkaar als gemeenschap kijken waar de overgangssituaties zitten. In deel 8 werd er dan nog vrij nuchter naar schenken en lenen gekeken vanuit de gangbare betekenis in het algemene economische taalgebruik. Dat kan al behoorlijk complex zijn. Nu is er dan nog bijgekomen dat Steiner met zijn definities van de drie soorten geld een geheel andere wijze van economisch redeneren te berde brengt, waarbij je ook nog eens in termen van transformatieprocessen van geld moet gaan denken:
“Dan zullen we namelijk vinden dat na een bepaalde tijd alles wat leengeld is in schenkgeld overgaat. (…) Leengeld moet geleidelijk geheel in schenkgeld overgaan. Leengeld mag zich in zekere zin niet terug stuwen in het koopgeld om dat te verstoren.” (9)

'De aardappeloogst', Millet 1885
(Bron: wikimedia)
Enerzijds stelt Steiner dat het nu eenmaal feitelijk gebeurt dat geld zijn waarde verliest. Hij doelt daarmee op geld als de uitdrukking voor de productiemogelijkheden van een economie op een gegeven moment. Het duidelijkst is dat te zien aan landbouwgrond: je kunt er in een bepaald jaar maar één keer gebruik van maken, laat je de grond braak liggen, dan heb je het jaar erop niet opeens een dubbele oogstmogelijkheid.(10)
Anderzijds maakt Steiner keer op keer duidelijk dat je allerlei regelingen kunt scheppen waardoor geld zijn waarde blijft behouden. Zo is de op het oog merkwaardige uitdrukking van het ‘terug stuwen van leengeld in koopgeld' uiteindelijk prima in te zien wanneer je bijvoorbeeld kijkt wat er gebeurt als een onderneming succesvol wordt en de oorspronkelijke kapitaalbezitters er tot in de verre toekomst de opbrengsten van blijven plukken. In deel 13 werd al besproken dat Steiner hier een mouw aan wil passen. Enkele alinea's hierboven was er ook sprake van het opeenhopen van geld in de grond, hetgeen vergelijkbaar is met 'stuwen'. Dat is wellicht eenvoudiger in te zien: zodra ik geld leen en er grond van koop dat ik onbeperkt in bezit kan houden, is er eveneens sprale van het 'terugstuwen van leengeld in koopgeld'.
In zekere zin wordt er in onze huidige samenleving voortdurend naar mogelijkheden gezocht waardoor geld werkzaam kan blijven zonder in waarde af te nemen. Steiner wil hier duidelijke grenzen aan stellen, hetgeen bij uitstek kan geschieden door van tijd tot tijd geld te laten vergaan en opnieuw in roulatie te brengen.
“ Geldbezit gaat op een gegeven moment in gepaste vorm aan de algemeenheid over. En opdat geld dat niet in productiebedrijven werkzaam is, niet door omzeiling van de maatregelen van de economische organisatie door de bezitter achtergehouden wordt, kan nieuw drukken van tijd tot tijd plaatsvinden. Vanuit dergelijke verhoudingen zal ook volgen, dat de renteopbrengst van een kapitaal in de loop der jaren steeds kleiner wordt. (11)
Daarmee komen we aan het absolute sluitstuk van hoe Steiner het geldvraagstuk het beste denkt aan te pakken:
“ De drie soorten geld moeten op verschillende wijze worden behandeld. Oppervlakkig bezien is een tien frankenmunt natuurlijk een tien frankenmunt, of er nu 1910 of 1915 of 1920 op staat. Zo is het uiterlijk bekeken en in de gewone koop gedraagt het zich ook zo. Dat het in werkelijkheid anders is, merk ik alleen wanneer ik minder heb, omdat ik dan merk dat er verschil is opgetreden of wanneer dingen duurder zijn geworden.” (12)
Hoe hij dit voor zich ziet, komt ter tafel in deel 16: Geld met een einddatum

Tien Zwitserse frank, gouden munt 1911
(die overigens nog altijd erg veel waard is :)
(Bron: wikimedia)
Noten:
1 NK180
2 NK 124
3 Jakob Böhme (1575-1624) was een schoenmaker uit Görlitz die grote bekendheid verkreeg als Duits protestants mysticus, filosoof en theoloog. Steiner noemt ook Hans Sachs (1494-1576): dichter en toneelschrijver. (Terzijde een wat minder productief voorbeeld: de Roemeense dictator Nicolae Ceaucescu (1918-1989) begon zijn carriëre als leerling-schoenmaker.)
4 NK 179-180
5 Bij spaargeld is er in essentie sprake van het verminderen en uitstellen van de eigen consumptie, waardoor anderen kunnen ondernemen en dergelijke.
6 NK 179-180
7 Schenkgeld werkt over het algemeen dus waardeverminderend op korte termijn en als het productief uitpakt waardeverhogend op langere termijn. Bij leengeld kun je dit zo niet zeggen, zou de schoenmaker bijvoorbeeld verplicht worden om in het geval van een mislukt project alsnog de schoenen te maken die hij tijdelijk even niet had geleverd, dan moet hij als het ware de prestaties alsnog leveren. Tenzij dit hem wordt kwijtgescholden; dan is zoals gezegd leengeld schenkgeld geworden.
8 NK 181
9 NK181
10 Althans in onze streken; rijst kan in Zuidoost Azië 2 tot soms zelfs 3 keer per jaar geoogst worden.
11 KP 92
12 NK 187

Rijstvelden in Bali, Tirta Gangga 2010
(Bron: wikimedia)