mogelijkE Maatregelen
deel 1

(zie voor algemene basisingrediënten het artikel conclusies en overview)


Hoe verbeter je nu de vermogenspositie van de 'onderste' 50% van de bevolking? Vooral door een vermogensoverdracht vanuit de bovenste 1% in gang te zetten. Naar mijn mening zijn er behoorlijk wat mogelijkheden om een dergelijke verschuiving op een constructieve wijze aan te pakken. In de conclusies bespraken we reeds de basisingrediënten: inzicht in de vermogensverhoudingen en (meer) democratie en medezeggenschap. Voor het nu volgende ligt de focus op enkele praktische sociaaleconomische maatregelen in de context van de nationale situatie. Ik sluit af met een blik op de internationale vermogensverhoudingen.

mix van maatregelen terugdringen ongelijkheid op basis Piketty


Inkomen uit arbeid versus inkomen uit kapitaal
Een verschuiving van het belasten van arbeidsinkomen richting het belasten van inkomen uit kapitaal is een eerste logische stap richting het verminderen van vermogensongelijkheid. We vinden het in Nederland normaal dat we bij inkomen uit arbeid een progressief systeem hanteren. Vreemd genoeg doen we dat nauwelijks bij inkomen uit financiële activa zoals rente over obligaties, spaarrekeningen en aandelen.

Nederlandse staatsobligatie 1937

Over het algemeen zijn belastingen over dergelijke vermogenstoenames tamelijk proportioneel van karakter, waarmee een belastingvoordeel ontstaat voor de hoogste inkomens, die immers grotendeels hier hun inkomen aan ontlenen. (zie fig 11.18 in deel 2 toename ongelijkheid ). Er ontstaan daardoor rare situaties. Iemand in Nederland die 100.000 rendement heeft behaald op beleggingen op de beurs betaalt daarover aan het eind van het jaar in het uiterste geval maximaal 31% belasting (doorgaans beduidend minder omdat de belastingdienst met een fictief rendement van 5,69% rekent (nieuwe methode 2022), dus al heeft men 100% rendement, dan maakt dat niet uit en zou men in een dergelijk geval slechts zo'n 1.700 euro belasting betalen over die 100.000).
Zou dezelfde persoon dit bedrag als extra arbeidsinkomen hebben verdiend, dan komt hij uiteindelijk in het hoogste tarief van 49,5% terecht en betaalt hij in het uiterste geval 49.500 euro. (Ik toon het bewust even extreem om het principiële verschil te laten zien.)
Dit fenomeen is des te meer van belang, aangezien het aandeel van beloningen voor kapitaal (officieel: beloningen voor winst, rente, huur en pacht) in het nationaal inkomen de laatste decennia gestaag is toegenomen ten opzichte van het aandeel van arbeid. Ofwel: het aandeel van kapitaal is toegenomen ten opzichte van arbeid. Internationaal gezien is de ontwikkeling nog veel sterker. (Het ziet er echter naar uit dat de situatie nog veel ernstiger is. Mirjam de Rijk wees in een artikel in de Groene Amsterdammer erop dat de inkomens van financiële activiteiten van bedrijven niet worden meegenomen zolang deze in het bedrijf blijven. Dit zou gaan om 356 miljard in 2019. Zou je dit verwerken in de AIQ, dan zouden we een AIQ van rond de 50 hebben.)


AIQ Nederland

Arbeidsinkomensquote ontwikkeling Nederland (bron: MEV 2017, CPB)

Arbeidsinkomensquote internationaal

AIQ Internationaal IMF advanced economies (=39 landen)

Het is zaak om inkomen uit kapitaal progressiever te belasten, zeker in even sterke mate als inkomen uit arbeid. Arbeid wordt zo relatief goedkoper ten opzichte van andere inkomensbronnen. Met andere woorden: verlaging van loonkosten kan zowaar een wezenlijk onderdeel vormen van een beleid gericht op het verminderen van ongelijkheid. Bijkomend voordeel is dat het vervangen van mensen door robots enigermate afgeremd wordt (in plaats van versneld, wat nu het geval is). Mooier gezegd: de menselijke factor in de economie krijgt zo een sterkere positie.

Belasting betalen en subsidies ontvangen

Een verwant onderwerp is de mate waarin men überhaupt belasting betaalt, evenals de mate waarin men profiteert van zaken als aftrekposten en allerhande subsidies.   Over het algemeen kan men vrij aardig in kaart brengen hoe de inkomensverdeling is na het heffen van inkomstenbelastingen en verstrekken van uitkeringen. We spreken dan van de secundaire inkomensverdeling. (In de VS maakt dit voor het reële inkomen van de onderste 50% overigens bedroevend weinig uit: zie fig 11.18 in artikel over toename ongelijkheid na 1980)
Op deze wijze sla je wel heel veel belastingen over. Piketty ondernam voor de VS een poging tot berekening van de feitelijk betaalde belasting door alle (directe en indirecte) belastingen bij elkaar te nemen. Zie onderstaande figuur.

Effectieve belastingpercentages VS 1910-1920

Piketty berekende hoeveel belasting men nu feitelijk betaalde in de VS.
De onderste 50% van de bevolking betaalt vanaf 1985 nauwelijks minder belasting dan de bovenste 1%.


Wat Piketty in figuur 10.13 heeft geprobeerd is net weer iets anders dan de 'tertiaire inkomensverdeling', waarbij je kijkt naar het profijt dat mensen hebben van bepaalde collectieve regelingen of publieke voorzieningen. Hieronder vallen tal van directe en indirecte subsidies, maar ook aftrekposten. Het is erg lastig te bepalen en een overkoepelend plaatje is dan ook haast niet te maken. Piketty zelf zegt ook gebruik te maken van zeer grove schattingen bij figuur 10.13, vooral bij de indirecte belastingen. Voor belastingen als BPM, accijnzen en BTW moet je immers goed naar de bestedingen kunnen kijken en die zijn grotendeels niet centraal geregistreerd.  
Totaalplaatjes van betaalde belastingen en het profiteren van regelingen zijn dus niet echt te maken. Wat zeker wel kan: op concrete onderdelen kijken. Dat is ook nodig.
Zo is er in Nederland gegarandeerd een behoorlijke vermogensoverdracht van hoog naar laag te realiseren door aftrekposten aan te pakken en belastingen op basisbehoeften juist laag te houden.

CBS; bestedingspatronen op basis van inkomen 2015

Bestedingspatronen op basis van inkomen (CBS 2015)
Lage inkomens zijn het meest kwetsbaar voor de vaste lasten
(Huur, energie en telefoon/internet)

Lagere inkomens houden relatief het minst over om te sparen: naar schatting van het Nibud heeft 20% van de huishoudens minder dan 1000,- spaargeld. Wat men aan belastingen betaalt door middel van de consumptie weegt daarom extra zwaar. Ofwel omgekeerd: de hoogste inkomens worden relatief minder geraakt door verhogingen van accijnzen en BTW. Het verhogen van het laagste tarief van de BTW, het tarief voor de eerste levensbehoeften van 6 naar 9% in 2019 in Nederland, is bijvoorbeeld bijzonder nadelig voor de laagste inkomens.
Daarnaast zijn er allerhande aftrekposten en subsidies die sterk in het voordeel van hogere inkomens uitpakken. Een klassiek voorbeeld in Nederland is de hypotheekrente aftrek, die decennialang het meeste voordeel opleverde voor degenen met het hoogste inkomen en de hoogste hypotheek. Inmiddels wordt deze regeling eindelijk meer en meer afgebouwd.
Op dit moment vallen met name subsidies op windmolens, zonnepanelen en elektrische auto’s op. Menig woningbezitter is tegenwoordig eigenaar van een klein zonnepaneelpark, waarmee deze gesubsidieerd energie loopt te verkopen. Buiten staat dan een gesubsidieerde elektrische auto aan de laadpaal.

Subsidie elektrische auto

De subsidie op nieuwe elektrische auto's bedraagt 4.000,-,
maar sinds 2020 niet meer voor auto's boven de 45.000,--


Bovenstaande gaat nog over nationale wetgeving. Daar bovenop komen nog de juridische constructies voor belastingontduiking met behulp van de globalisering en fiscale juristen. Hoe hoger je vermogen hoe interessanter dit wordt. (Ter indicatie: uit recent onderzoek in de VS bleek dat top 25 miljardairs zoals Warren Buffett, Jeff Bezos en Elon Musk in de periode 2014-2018 gemiddeld 3,4% inkomstenbelasting betaalden.)

Belastingconcurrentie en belastingontduiking

Belastingconcurrentie tussen landen (en regio’s) is toegenomen door de globalisering. Nauw hiermee verbonden zijn de toegenomen mogelijkheden voor belastingontwijking, zoals het oprichten van nepbedrijven in de vorm van brievenbusfirma's of door het sluiten van belastingdeals om serieuze bedrijven te lokken zoals Apple in Ierland en Ikea in Nederland.
Piketty denkt zelf aan een sterker federaal Europa om hier tegenwicht aan te bieden. Op zichzelf is dit niet heel raar. Op het onderdeel fiscaal beleid werkt de EU met een systeem van unanimiteit waardoor een afzonderlijk land nieuwe regels kan blokkeren. In de praktijk zijn het hier vooral kleinere landen zoals Luxemburg, Malta of Nederland die hier gebruik van maken.
De zaken verergeren ook nog door het toegenomen aandeel van diensten en daarmee verbonden informatietechnologie in de wereldeconomie: de platformeconomie. Door de platforms van Apple, Spotify, Uber, AirBNB, Booking.com en al die anderen, komt opeens een groot deel van de winsten op voorheen lokaal belastbare activiteiten elders in de wereld terecht (bij voorkeur in regio's met de voordeligste belastingregimes).

Platformeconomie betekent minder belastinginkomsten

De platformeconomie versterkt de verschuiving van belastinginkomsten door globalisering

Het goede nieuws is dat hier een gemeenschappelijk belang steeds duidelijker wordt: wie lokaal inkomen verwerft of vermogen bezit, dient lokaal belasting te betalen. Dit gemeenschappelijke inzicht kan dan de weg vrijmaken om gedoe met de locatie van hoofdkantoren en brievenbusfirma’s eveneens voor een goed deel op te lossen. Nieuwe spelregels zijn nodig.
Het goede nieuws is dat de VS onder Joe Biden hierin nu het voortouw heeft genomen en samen met de EU snel stappen willen zetten. Op dit moment is een wat mager compromis in de maak. Het voornemen is dat een land een tarief van minimaal 15% winstbelasting dient te hanteren en om de verplichting in te voeren om 20% van lokaal gemaakte winst lokaal te belasten. Toch is het wel een belangrijke stap. Zeker ter bestrijding van illegale activiteiten, zoals belastingontduiking.

Zie voor belastingontduiking en vermogensbelasting
mogelijke maatregelen deel 2




Deel dit artikel: