Deel dit artikel:
05/05/2026
Hotel Vier Jahreszeiten 15 mei 1922
Dit artikel verscheen in Motief, maandblad voor antroposofie, mei 2026
We leven in een tijd waarin nationalisme en autocratisch leiderschap in opkomst zijn. De vergelijking met de jaren dertig wordt in dit verband vaak gemaakt, mede omdat ook extreem rechtse groeperingen kans zien zichzelf te manifesteren rond thema’s als asielzoekers. Ezrah Bakker schrok van de NSB vlaggen op het Malieveld en het ingooien van de ruiten van het D66 kantoor afgelopen najaar. Hij ontdekte dat ook Rudolf Steiner te maken heeft gehad met politiek geweld.
De situatie nu is nog bij lange na niet vergelijkbaar met die in Duitsland in de jaren voorafgaand aan de machtsgreep van Hitler in 1933. Deze periode begon na de overgave van Duitsland in 1918. Vooral de eerste jaren waren bijzonder chaotisch. Allerlei politieke stromingen roerden zich, waarbij geweld vaak niet geschuwd werd. Rudolf Steiner was een bekend publiek figuur en had zich vanaf 1919 ook nog eens in het publieke debat gemengd met zijn ideeën voor de sociale driegeleding. Daarmee begaf hij zich onmiskenbaar ook in politiek vaarwater. Het leidde ertoe dat vanuit extreem rechtse kringen steeds vaker scherpe kritiek op hem werd uitgeoefend. Dit resulteerde op 15 mei 1922 in München in een poging om hem fysiek aan te vallen tijdens een openbare voordracht in Hotel Vier Jahreszeiten.

Hotel Vier Jahreszeiten in München, anno 2013
(De zaal waar de voordracht plaatsvond bestaat niet meer)
In de herinneringen van Hans Büchenbacher wordt het meest uitvoerig van deze dag verslag gedaan. Büchenbacher, destijds actief als spreker voor de driegeleding, was woonachtig in München en coördineerde de beveiliging van Steiner rond de voordracht. Hij had hiertoe onder andere een groep jongeren en vrijeschool leraren opgeroepen. Onder hen bevonden zich de student architectuur Walter Beck en Herbert Hahn, leraar van de Waldorschool in Stuttgart. Hun herinneringen vormen een belangrijke aanvulling op het verslag van Büchenbacher.

Advertentie voor de voordrachtenreeks van Rudolf Steiner in 1922,
georganiseerd door bureau Wolff & Sachs
Rudolf Steiner kwam naar München in het kader van een reeks openbare voordrachten georganiseerd door het concert- en lezingen bureau Wolff & Sachs. Reeds eind 1921 was Büchenbacher op geruchten gewezen dat er in bepaalde politieke kringen het voornemen heerste om prominente Duitse politici te vermoorden; op de lijst van neer te schieten persoonlijkheden stond ook Rudolf Steiner. München was in die dagen het epicentrum van het rechts nationalistische verzet tegen de Weimar Republiek. Er waren verschillende extreem rechtse groeperingen zeer actief, waaronder de NSDAP van Hitler, die zich meer en meer manifesteerde. In het Münchener Wochenschrift Heimatland werd op 8 mei 1922 de volgende oproep gedaan: “En nu wil deze ‘antroposofieverlosser’ naar München komen (…) Zijn er in München geen Duits voelende mannen meer die de aankomst van een dergelijke schurk verhinderen?”
Opper-Silezië
De reden waarom Rudolf Steiner in deze kringen als anti-Duits werd gezien, komt met name door zijn inzet voor de sociale driegeleding in die dagen. Hij had daarbij weliswaar kritiek op het verdrag van Versailles, onder andere omdat hij vond dat Duitsland echt niet als enige schuld aan de oorlog had, maar maakte zich ook niet populair door er steeds op te wijzen dat Duitsland wel degelijk een grote eigen verantwoordelijkheid in de loop der gebeurtenissen had.


Propagandaposters referendum Silezië 1921
(bron: wikimedia)
De kritiek op Steiner als zijnde anti-Duits nam enorm toe, toen hij zich samen met enkele andere antroposofen nadrukkelijk had geroerd rond het referendum van 21 maart 1921 over de aansluiting van Opper-Silezië bij Duitsland of Polen. Rudolf Steiner mengde zich in deze campagne met de stelling dat het hele gebied zich beter zelfstandig kon gaan besturen volgens de principes van de driegeleding. Polen en Duitsers hoefden niet tegen elkaar te kiezen. Rudolf Steiner werd nu uitgerekend in de Frankfurter Zeitung, toch een van de weinige liberale kranten van die tijd, beschuldigd van “het openlijk bedrijven van landverraad”. Want: “Wie Opper-Silezië van het (Duitse) Rijk wil losmaken, toont zich daarmee een tegenstander van Duitsland en dient dienovereenkomstig behandeld te worden.” (1) Ook Hitler richtte, voor het eerst, nadrukkelijk de pijlen op Rudolf Steiner in de Völkische Beobachter, de partijkrant van de NSDAP, als zijnde “… aanhanger van de driegeleding van het sociale organisme of hoe deze joodse methode ter vernietiging van de normale geestesgesteldheid der volkeren ook moge heten.” (2)
Ooggetuigen
In de middag van 15 mei had Büchenbacher, vergezeld door Rudolf Steiner, een bespreking met de politie, die aangaf overbezet te zijn die avond. Dankzij protest van Büchenbacher zouden er toch enkele agenten in burger komen. Daarna was er overleg met de chef van het organisatiebureau Wolff, waar ze hoorden dat er werkloze boksers en worstelaars ingehuurd waren. “Dr. Steiner stond naast mij en hoorde dit glimlachend aan.”
Büchenbacher had ter voorbereiding van de avond een gedetailleerd plan voorbereid als betrof het een militaire operatie (hij was ex-officier uit WWI). De boksers en worstelaars stonden bij de garderobe beneden, terwijl hij met een groep van tien jonge antroposofische leden in de gang naar de zaal op de eerste verdieping voor de ingang postvatte. Daarnaast positioneerde hij in de voorste rijen links en rechts nog enkele jongeren, waaronder Walter Beck. In de naast de zaal gelegen zijkamer met ijzeren deur positioneerde hij twee leraren uit Stuttgart, waaronder Herbert Hahn, “met het bevel in geval van nood dr. Steiner daar in veiligheid te brengen en de deur alleen nog te openen als ik persoonlijk zou verschijnen.”

De zaal rond 1900
Hahn: “In het begin gebeurde er niets bijzonders. Rudolf Steiner begon op zijn bekende manier, langzaam intonerend te spreken. Wie echter met een innerlijk oor naar de zaal luisterde, kon duidelijk merken dat daar een buitengewoon drukkende, om niet te zeggen zinderende atmosfeer hing. Steiner zelf leek moeite te hebben met spreken, het was of hij zich moeizaam door iets heen moest worstelen. Plotseling ging het licht uit.”
Beck: “Wat hielp was dat in de donkere zaak onder de lessenaar op de tafel van de stenograaf een klein lampje brandde, zo dat het op het podium niet volledig donker was. (…) De stemming in de donkere zaal was niet te peilen. Rudolf Steiner vertoonde onder deze omstandigheden een zeer grote tegenwoordigheid van geest: met heldere stem, zorgvuldig zijn woorden accentuerend, sprak hij rustig verder, zonder ook maar ergens te blijven steken. En door deze volledig zelfbeheersing wisten kennelijk de aanvallers, die in de zaal startklaar stonden, niet meer wat ze moesten doen en hield hij ze in bedwang. Niets bewoog. Krachtig en zelfverzekerd in de ware zin van het woord ging hij door. Hij sprak over de geest en zijn stem had iets van een prachtig klokgelui toen hij op elk woord de nadruk leggend, zei: ‘En zo kent de geestesonderzoeker de geest. Wie echter de geest kent wordt ook door de geest beschermd.’ ”
Hahn: “Op dat ogenblik ging het licht weer aan: enkele vrienden van ons hadden zich naar de schakelaars toegewerkt en namen daar bezit van de situatie. Een groot deel van de toehoorders applaudisseerde stormachtig en Rudolf Steiner kon zonder verdere incidenten zijn voordracht vervolgen.”

De zaalindeling naar een schets van Walter Beck
(bron: Beck, 'Rudolf Steiner die letzte drei Jahre')
Bij Büchenbacher in de hal was het rustig gebleven: “Ik ging naar de achterste zaaldeur en luisterde naar de laatste minuten van het slot van de voordracht. Er klonk luid applaus, zodat dr. Steiner weer vanuit de zijruimte terugkeerde naar de lessenaar om een buiging te maken. Op de terugweg naar de zijkamer begon met torpedotrillerfluiten, stinkbommen en woest geschreeuw aan de rechterkant van de zaal een bestorming van het podium. Maar vanuit de linkerkant van de zaal, waar slechts een smalle gang was, slaagden de Münchener vrienden vanaf de eerste rij er net op tijd in op het podium te komen. En ik zag hoe dr. Noll en de jonge architect Walter Beck de voorste aanvallers terugwierpen en dr. Steiner in de zijkamer verdween. Het waren de ergste ogenblikken in mijn leven.”
Beck: “Wij sprongen eveneens op het podium en sneden de aanvallers de weg richting deur af. Er ontstond een klein handgemeen terwijl de bühne zich verder vulde” Beck raapte daar later op de grond nog een kleine scherp geslepen dolk op van 15 centimeter lang, die hij aan de politie overhandigde. Bij het definitief verwijderen van de aanvallers uit de zaal, vervulden de uit de garderobe binnengekomen boksers nog een belangrijke rol. Er zijn daarbij rake klappen gevallen; twee van hen liepen hoofdwonden op. De politie arresteerde enkele van de aanvallers, maar lieten deze al snel weer gaan. Op straat verzamelden ze zich nog: het ging om een groep van zo’n vijftig jonge mannen.(3)
Het vervolg
Büchenbacher liet Rudolf Steiner veiligheidshalve nog van hotelkamer wisselen. Ook regelde hij dat Rudolf Steiner veel vroeger met de stoptrein alvast vertrok om pas in Augsburg over te stappen op de enige sneltrein van die ochtend vanuit München. Dat was nodig ook, want de volgende ochtend dook een groep tegenstanders van de vorige avond bij het perron op.
Rudolf Steiner zette zijn voordrachtreeks nog voort. Op 16 mei al in Mannheim, waar hij van tevoren zelf nog de schakelkast van de verlichting controleerde. Het licht viel tijdens de voordracht tóch weer uit, waarbij Rudolf Steiner wederom “met krachtige, indringende stem doorsprak, waarna er niets gebeurde”. (4) In Elberfeld in het Roergebied was het 17 mei weer raak. Emil Bock was hierbij aanwezig: “Nadat dr. Steiner ongeveer een half uur gesproken had, ontstond onrust. Een horde van vijftig met knuppels bewapende groep van overwegend jongeren wilde de zaal binnendringen." Bock slaagde er in de deur naar de zaal met stoelen te barricaderen, terwijl Rudolf Steiner aan de andere kant van de zaal rustig doorsprak (5) Rudolf Steiner schreef in een telegram aan Marie Steiner zelf hierover: “er was herrie, maar de voordracht is in zijn geheel gehouden. (…) de agitatie is echter te machtig.”(6)

Ludendorff en Hitler, samen met enkele andere deelnemers van de 'Bierkellerputsch' in 1923
(foto genomen voor de rechtbank in 1924, bron: wikimedia)
Wie deze aanvallers nu precies waren, kon niet met grote zekerheid vastgesteld worden. Büchenbacher zelf was er zeker van dat een aanzienlijk deel bestond uit antisemitische aanhangers van Ludendorff, de voormalige opperbevelhebber van het Duitse leger in de Eerste Wereldoorlog. Hij had het er ook dezelfde nacht met Steiner over gehad. “Steiner maakte enkele ironische opmerkingen tegen mij over Ludendorff en zei: ‘Men hoeft alleen maar naar zijn handschrift te kijken. (..) Ach kent u die niet?’ En hij pakte zijn vulpen en schreef in mijn notitieboek, zoals ik later kon vaststellen, perfect de handtekening van Ludendorff op.”
Na nog ledenvoordrachten en besprekingen in Berlijn en Stuttgart gehouden te hebben, keerde Steiner de 24e mei weer terug in Dornach. De euritmiste Annemarie Dornath bericht van de indruk die Steiner na deze reis op haar maakte: “Deze reis moet onbeschrijfelijk inspannend en emotioneel zwaar voor hem geweest zijn. Ik herinner mij de indruk toen ik hem de eerste keer weer in de Schreinerei weerzag. Hij stond in zijn witte arbeidskiel, die hij in het atelier droeg, achter de bühne, en het leek of zijn gestalte kleiner geworden was, de blik nog ernstiger en stiller. Het was alsof hij uit een grote, zware en gevaarlijke strijd teruggekomen was, en de weinige woorden, die hij over deze reis losliet, gaven dat ook in alle eenvoud en terughouding aan.”(7)
Rudolf Steiner bleef weliswaar actief in Duitsland, maar publiek toegankelijke voordrachten hield hij er niet meer. Het was te gevaarlijk geworden. In Duitsland zijn in de jaren 1919-1923 honderden poltieke moorden gepleegd, waarvan het overgrote deel door extreem rechts. De roerige periode kwam tot een voorlopige climax met de staatsgreep van Ludendorff en Hitler in november 1923. Deze mislukte weliswaar, maar Rudolf Steiner was danig geschrokken: “Als deze heren in Duitsland aan de macht komen, kan ik geen voet meer op Duitse bodem zetten.” Hij gaf direct opdracht tot verhuizing van de antroposofische uitgeverij in Berlijn naar Dornach, hetgeen in 1924 geschiedde. (8)
Literatuur:
Archivmagazin, Die Wolff & Sachsvertragstourneen 1922 und die Zwischenfall in München, Steiner Verlag 2018
Walter Beck, Rudolf Steiner, die letzte Drei Jahre, Verlag am Goetheanum 1985
Hans Büchenbacher, Erinnerungen 1933-1949, Info 3 Verlag 2014
Herbert Hahn , Rudolf Steiner, Zoals ik hem gekend heb, Kruseman 1962
Christoph Lindenberg, Rudolf Steiner, Eine Chronik, Verlag Freies Geistesleben 1988
Lorenzo Ravagli, Unter Hammer und Hakenkreuz, Verlag Freies Geistesleben 2004


Voetnoten:
1 Frankfurter Zeitung 4 maart 1921, Ravagli blz 190
2 Ravagli, blz 122
3 Münchener Nachrichten, 16 mei 1922
4 Archivmagazin blz 256, René Maikowski, Schicksalswege
5 Archivmagazin blz 258, Emil Bock in Grundereignisse Christengemeinschaft
6 Lindenberg, Chronik, blz 486
7 Lindenberg, Chronik, blz 487
8 Büchenbacher blz 201