Deel dit artikel:
01/11/2025
Deel 6
Waren en waardevorming

In 'De Kernpunten van het Sociale Vraagstuk' hamert Steiner er op dat het in de economie "om niets anders kan gaan dan het produceren, ruilen en verbruiken van ‘waren’".(1)
Wat is dan een waar? Een waar is uitdrukking van een van de twee fundamentele waardevormende processen die Steiner in de economie observeert.
Steiner onderscheidt ‘arbeid toegepast op natuur’ en ‘geest toegepast op arbeid’. Laatstgenoemde proces creëert waarde die we ‘kapitaal’ kunnen noemen.

Twee waardevormende processen
(afbeelding ingekort uit voordracht 25 juli 1922)
(Bron: NL vertaling uitgeverij Nearchus)
Beide waardevormende processen zijn niet strikt gescheiden natuurlijk, maar het ene domineert het ene moment meer dan het andere. Een boer bewerkt immers met tal van technieken het land en een leraar moet ook naar het bord lopen en dergelijke.
In onze gangbare economie vertoont dit onderscheid enige gelijkenis met het verschil tussen fysieke producten en diensten, maar het zit toch behoorlijk anders in elkaar.
Waren in de strikte betekenis van het woord komen vooral tot stand door arbeid toegepast op natuur. Zij hebben de neiging om verbruikt te raken.
"Ik noem een waar, iedere zaak die door menselijke activiteit tot hetgeen geworden is, die door mensen op een bepaalde plaats wordt gebracht om verbruikt te worden.”(2)
De kern van deze warendefinitie komt tot uitdrukking in een landbouwproduct, bijvoorbeeld een zak aardappelen. Deze heeft een beperkte houdbaarheid; of een aardappel nu gegeten wordt of bederft: ze raakt verbruikt.

Geestelijke economische prestaties zijn deels pure diensten zoals bijvoorbeeld een advies. Zoals in de reguliere theorieboeken vaak staat, worden deze als het ware ‘direct geconsumeerd’. Men maakt er gebruik van en dat was dat, de dienst is ‘verbruikt’.
Anders wordt het echter bij een geestelijke prestatie zoals een boek. Stel nu dat er sprake is van een bestseller, dan zie je dat dergelijke producten de eigenschap hebben dat ze onbeperkt gereproduceerd kunnen worden zonder extra inspanning. In principe kan de eigenaar van het auteursrecht van het boek, bijvoorbeeld de familie of een platenmaatschappij, nog tot tientallen jaren na de dood van de schrijver genieten van de royalties.
Iets vergelijkbaars kun je zien bij uitvindingen die de productiviteit verhogen, zoals bijvoorbeeld een of andere machine, of bij een medicijn. Hier hebben we dan weer patentrecht voor, dat doorgaans twintig jaar geldig is.

Best verkochte auteur aller tijden: William Shakespeare (2 tot 4 miljard exemplaren)
(Afbeelding: 1e bladzijde van Macbeth, editie 1623 (Bron: wikimedia))
Kortom, een geestelijke prestatie werkt vaak anders als de gewone waren in de economie; ze kunnen leiden tot extra productie zonder noemenswaardige extra geestelijke inspanning. Hierdoor kun je niet meer gewoon van een ruil op basis van prestatie en tegenprestatie spreken.
Een prestatie die in het verleden is geleverd, kan op deze manier in plaats van te vergaan juist in versterkte mate doorwerken.
Kijken we nu naar grond, dan wordt een ander aspect zichtbaar. Nemen we een stuk landbouwgrond, dan kun je daarop in principe elk jaar weer een oogst mee binnenhalen. Weliswaar komt hier de nodige arbeid bij te pas, maar de grond zelf heeft een bepaalde mate van productiviteit.
Landbouwgrond is zo bezien vergelijkbaar met een productiemiddel dat zelf waren kan voortbrengen. Hetzelfde geldt voor bouwgrond: dat hoeft er goeddeels alleen maar te zijn om een huis op neer te zetten.
Het mooie is dat in beide gevallen er geen sprake is van een prestatie maar iets wat prestaties genereert, ofwel ‘productiemiddelen’.
Grond valt in de economische wetenschap onder de productiefactor natuur, geestelijke prestaties kunnen het karakter van de productiefactor kapitaal krijgen. (3)
In beide gevallen dien je als het ware de grenzen van prestatie en tegenprestatie te bewaken. Wat gebeurt er namelijk als je dat niet doet? Dan creëer je mogelijkheden om niets te presteren en anderen voor je te laten werken. Over het algemeen kun je spreken van een prijsopdrijvend effect: anderen moeten harder werken omdat zij feitelijk het inkomen erbij moeten verzorgen voor iemand die niet (meer) presteert. Volgens Steiner is dit niets anders dan het “vijfde wiel aan de wagen van het kapitalisme” zoals we dat nu kennen.(4)







De 'Magnificent Seven' zijn de bestsellers onder de aandelen
(Bron: Wikimedia)
Dit fenomeen kun je ook goed waarnemen in het geval van aandeelhouderschap van bedrijven. Het is precies hetzelfde. Ondernemerschap is immers ook een geestelijke prestatie, waarbij in geval van succes er iets vergelijkbaars kan optreden als bij het schrijven van een bestseller.
Hetzelfde geldt voor de kapitaalverschaffer die in een succesvol bedrijf investeert: op een gegeven moment heeft deze het risico dat oorspronkelijk gelopen werd in ruime mate terugverdiend, maar kan er tot in lengte van jaren nog onbeperkt de vruchten van plukken. (Ook het nageslacht als hij/zij overlijdt, met enige aftrek naar gelang het tarief van de belasting op erfenissen.)

En natuurlijk zijn er talloze tussenvarianten van de twee waardevormende processen. De uitdaging is en blijft hoe je een economie op prestatie en tegenprestatie baseert. Dat doe je door oneigenlijke concurrentie tussen ‘echte’ waren, geestelijke waren en productiemiddelen tegen te gaan. Dat is een dynamisch proces; tegenwoordig gaan bijvoorbeeld ontwikkelingen erg snel. Je kunt je dan afvragen of patentrecht ingekort zou moeten worden voor bepaalde zaken. Dat zou dan bijvoorbeeld Microsoft niet leuk vinden, want die kunnen nog steeds de hoofdprijs vragen voor de diensten van Microsoft Office.
Door aanspraken op prestaties uit het verleden in te perken, schep je juist meer ruimte voor 'toekomstige prestaties'.
Zie deel 7: Toekomstige prestaties
1 blz 49 KP (2e druk 1920)
2 Idem
3 Ondernemerschap wordt tegenwoordig vaak als vierde productiefactor genoemd
4 Zie blz 50 KP en NK 30-7-1922 (voor "vijfde wiel aan de wagen": plaats van dit citaat ben ik kwijt, wie weet waar het staat, graag mij mailen!)