Deel dit artikel:

20/11/2024

Economie en antroposofie 

Deel 7
Toekomstige prestaties en sociale voorzieningen

Zie hier voor deel 6

 

Naar overzicht alle delen
 

Onderwijs

In Nederland beslaan de overheidsuitgaven in 2025 bijna 45% van het BBP. Hieronder vallen veiligheid, zorg, onderwijs en allerlei uitkeringen.  Hoe verhouden deze zaken zich nu tot het principe van prestatie en tegenprestatie? 

Vanuit de driegeledingsgedachte bekeken horen zorg, opvoeding en onderwijs thuis in de geestelijk-culturele geleding. Ze vallen in de kern van de zaak niet onder het principe van prestatie en tegenprestatie.
Als je les geeft, is er geen sprake een economische transactie met de leerling. Dat zou een mooie boel worden, bijvoorbeeld docenten en/of studenten financieel belonen voor hoge cijfers. Hetzelfde geldt voor de opvoeding. Zodra je je kind financieel gaat belonen als het de eigen kamer opruimt of meehelpt met de afwas, creëer je een jonge 'homo economicus'. Evenzo is het nogal problematisch wanneer kinderen ook gaan werken om bij te dragen aan het levensonderhoud van de familie.

 

Armbanden maken in de avonduren: thuiswerken met de familie in New York in 1912.

Armbanden maken in de avonduren: thuiswerken met de familie in New York in 1912. 
(Afbeelding: wikimedia)

In de economie heb je niet alleen te maken met huidige prestaties, maar hebben degenen die nu presteren ook te maken met het mogelijk maken van 'toekomstige prestaties'. Steiner zegt het zo:  "Je kunt niet alles wat vandaag de dag gepresteerd wordt op dezelfde wijze waarderen. Men moet ook rekening houden met prestaties die pas in de toekomst gerealiseerd worden". (1)
Nu gaat het bij opvoeding en onderwijs heel duidelijk om 'rekening houden met toekomstige prestaties'. Kinderen en jongeren zijn immers letterlijk de toekomst.  Bij allerlei zorg voorzieningen zoals zorg voor de oude dag of medische zorg in het algemeen, zit het iets anders in elkaar. Sowieso is er daar wederom geen sprake van het principe van prestatie en tegenprestatie. In feite gaat het immers bij alle zorg om het, al dan niet tijdelijk of gedeeltelijk, niet (meer) kunnen presteren. Bij het 'niet presteren' kun je betogen dat het om het 'anticiperen op mogelijke toekomstige prestaties' gaat. We weten allemaal dat we op een dag niet meer kunnen werken. Evenzo lopen we allemaal het risico om ziek te worden of een ongeval te krijgen.  

 Hospitaal 1917

 Hospitaal 1917 
(Schilderij Emma Mieville. Bron: museum Ordre St John)

 

Dan is er nog een andere categorie organisaties die buiten het economische domein vallen. Het zijn de organisaties die met algemene veiligheid te maken hebben, zoals defensie, brandweer, politie en justitie. Vanuit de driegeledingsgedachte bezien zijn dit typisch organisaties die bij de rechtsgeleding horen.
Veiligheidsrelaties verschillen ergens niet heel erg van zorgrelaties. In plaats van de zorgbehoevende is er nu de bescherming behoevende. Naar gelang je bescherming van lijf en goed onderhevig maakt aan prestatie en tegenprestatie, krijg je een economie op basis van dwang en het recht van de sterkste. 
 

  Mariniers helpen bij nasleep orkaan Irma in Sint Maarten, 2017

  Mariniers helpen bij nasleep orkaan Irma in Sint Maarten, 2017
(Afbeelding: wikimedia)

 

Bescherming tegen geweld en natuurrampen gaat weliswaar economisch gezien ook om anticiperen op mogelijke toekomstige prestaties, maar centraal staat het waarborgen van het presteren. Immers, goede veiligheidsorganisaties voorkomen veel economische schade.

Al met al hebben we nu ruwweg drie verschillende soorten relaties onderscheiden die allemaal niet op prestatie en tegenprestatie gebaseerd zijn: zorg, opvoeding & onderwijs en veiligheid. Ze horen daarom bij de andere twee geledingen thuis. Natuurlijk zijn er meer zaken die daar thuis horen, zoals bijvoorbeeld de Eerste en Tweede Kamer bij uitstek bij de rechtsgeleding horen en de religieuze instituties bij de geestelijk-culturele geleding. Vanzelfsprekend is de grens in veel gevallen niet zomaar te trekken en varieert tevens met de ontwikkelingen in de samenleving. 

 

  Kinderarbeid in textielweverij in South Carolina 1908.

  Kinderarbeid in textielweverij in South Carolina 1908.
 In de VS eindigde fabrieksarbeid voor kinderen pas in 1938 
(Afbeelding: wikimedia)

 

In de driegeleding heb je voortdurend overlap tussen gebieden en zijn er tal van beslissingen te treffen waar op een gegeven moment een grens ligt. Een klassiek voorbeeld hiervan is het 'Kinderwetje van van Houten' uit 1874, waarmee werk in fabrieken en werkplaatsen voor kinderen onder de 12 jaar werd verboden. (2) Die gingen nog niet allemaal naar school, zodoende werd in 1901 de leerplichtwet ingevoerd, die aanvankelijk voor kinderen van 6 tot 12 jaar was. In de loop der jaren zijn deze wetten meerdere malen uitgebreid. 
Met dergelijke wetten begrens je als het ware de economische geleding. Natuurlijk hangt daar een prijskaartje aan. Je kunt ouders wel verplichten hun kinderen naar school te sturen, maar als je de rekening bij hun neerlegt, dan wordt naar school gaan voor hen alsnog een economische transactie.  
 

  Leerplicht wereldwijd, anno 2024

  Leerplicht wereldwijd, anno 2024
(Afbeelding: wikimedia)


Kortom; je kunt een mooie juridische oplossing hebben, maar dan ben je er nog niet. In de kern van de zaak financiert de economische geleding, hoe je het ook wendt of keert, de andere twee geledingen.  De vervolg vraag is dan hoe je deze financiering vormgeeft.

Zie deel 8: Het financieren van sociale voorzieningen 
 

(1) BR 24-6-1919, blz 166 
(2) Voor de landbouw bestonden nog lang uitzonderingen. Pas vanaf 1981 hebben we in Nederland een totaal verbod op kinderarbeid tot 13 jaar.  

 

Kinderarbeid: meehelpen op het land 1918

Helpen op land bij Bolsward 1918
(Afbeelding: nationaal archief)