POSTCOMMUNISTISCHE LANDEN II: CHINA

(zie ook Postcommunistische landen I: Rusland en andere landen uit het voormalige Oostblok)

China is reeds vanaf 1978, na de dood van Mao (in 1976) en het aan de macht komen van Deng Xiaoping, begonnen met het toestaan van economische vrijheden. Uniek bij de Chinese omslag is het handhaven van de rol van de communistische partij en daarnaast een gemengde economie op basis van het streven naar een evenwichtige combinatie tussen privé – en staatseigendom. China heeft derhalve een periode van dertig jaar communistische economie gekend, een stuk korter dan de zeventig jaar in Rusland.

Deng Xiaoping Nixon en Carter 1979

Deng Xiaoping in gesprek met Jimmy Carter en Richard Nixon tijdens het staatsbezoek aan de VS in 1979,
de beginperiode van grote economische hervormingen in China (bron: wikimedia)


Piketty ziet hierin een prachtige aanleiding om vanuit een ander standpunt landen met elkaar te vergelijken. In figuur 12.6 is te zien hoe het aandeel van staateigendom in China tot 2005 daalde van 70 naar 30% van het totale bezit. Sindsdien groeit het privébezit weliswaar nog steeds hard, maar houd de groei van het staatseigendom daarmee gelijke tred.

Interessant is dat figuur 12.6 laat zien dat in de westerse landen eind jaren 70 nog 20-30% van het kapitaal staatsbezit was, maar dat dit fors is afgenomen en in het geval van de VS en VK (en Italië) inmiddels zelfs negatief is geworden door gigantische staatsschulden. Dit is een ander gevolg van de liberalisering die vanaf 1980 in gang is gezet.

Qua sectoren zijn er in China grote verschillen: woningbezit is vrijwel volledig geprivatiseerd, terwijl bedrijven voor 55-60% in bezit zijn van de staat. Vanzelfsprekend zijn dit grove schattingen in een groot land met tal van unieke regelingen. Zo zijn veel boeren wel eigenaar van de grond en kunnen hun kinderen dit erven, maar men kan de grond niet zomaar verkopen om vervolgens naar de stad te verhuizen.

De gevolgen van de omslag in het Chinese beleid vanaf 1978 voor de inkomensgelijkheid zijn lastig te berekenen wegens gebrek aan volledige openbare registratie, maar Piketty komt tot een zeer ruwe schatting dat het aandeel van de bovenste 10% sinds 1978 hard gestegen is tot vlak onder het niveau van de VS.

In tegenstelling tot Rusland heeft China een progressief belastingstelsel met een schijvenstelsel variërend van 5 tot 45%. Gedetailleerde informatie is er niet over te verkrijgen, alleen totaalbedragen die geen inzicht geven in de verdeling over de schijven. (Bijvoorbeeld: men heeft vanaf 2006 een aanmeldplicht voor mensen met hoge inkomens om kapitaalvlucht tegen te gaan, maar na 2011 wordt hier niets meer openbaar over gepubliceerd.)
Opmerkelijk is het gegeven dat China helemaal geen successierechten kent, waardoor familie van welgestelden uit de communistische elites (zoals de familie van Xi Jinping, EB) als enige van de grote industrielanden ter wereld helemaal niets afdragen bij overlijden. Nog mooier: in het kader van de eerdergenoemde fiscale concurrentie tussen landen pleit een deel van de zakelijke elite in Taiwan er voor om daar ook de successierechten af te schaffen. In Hong Kong zijn ze al afgeschaft in 2005, 10 jaar na de overdracht aan China. (Terzijde, elders in Oost-Azië: in Zuid Korea hanteert men tarieven tot 50% en in Japan zijn ze in 2015 zowaar verhoogd van 50 naar 55% voor het hoogste tarief.)
Hong Kong is sowieso een fascinerend geval van een kapitalistisch land dat na de overgang naar een communistisch regime nóg inegalitairder is geworden. Ook de mogelijkheden voor kapitaalexport zijn daar aantrekkelijker geworden. Van kapitaalvlucht op de schaal van Rusland is vooralsnog echter geen sprake. Vermoedelijk hangt dit ook weer samen met het Chinese model; Peking houdt de touwtjes stevig in handen. (In plaats van kapitaalvlucht is er sprake van kapitaalexport: massale overzeese investeringen zijn duidelijk onderdeel van bewust overheidsbeleid. )

Hong Kong Kowloon

Hong Kong, Kowloon Panorama (bron: Ryan Cheng 2010, wikimedia)

Qua vermogensongelijkheid schat Piketty dat de bovenste 10% bijna 70% van al het privébezit in handen heeft. Dat is hoger dan de VS en slechts iets lager dan in Rusland. Het blijft echter lastig vergelijken aangezien het merendeel van de bedrijven formeel niet als privébezit gecategoriseerd kan worden.
China is en blijft een 'Black Box', niet alleen ten aanzien van de bezitsverhoudingen en belastinginkomsten, maar zeker ook op het gebied van transparantie over de economische besluitvorming. Er zijn immers geen vakbonden, aangezien die niet nodig zijn omdat formeel alles besproken wordt binnen de communistische partij. De mate van inspraak van arbeiders over werktijden en andere secundaire arbeidsvoorwaarden blijft grotendeels in het ongewisse. Men moet het doen met uitspraken van de nieuwe grote roerganger Xi Jinping dat de “onzichtbare hand van de markt” krachtig in evenwicht gehouden dient te worden door de “zichtbare hand van de overheid” om zo het gevaar van “potentiële degeneratie van de partij” tegen te gaan door een “onverzettelijke strijd tegen corruptie”.

Xi Jinping eed partijcongres 2018

Xi Jinping legt de eed af als herkozen president op het vijfjaarlijkse partijcongres,
17 maart 2018 (bron: China Daily)

Piketty’s boek 'Kapitaal in de 21e eeuw', werd in China omarmd, mede door Xi Jinping. De opvolger 'Kapitaal en ideologie' wilde men in China alleen publiceren onder weglating van bovengenoemde schattingen en andere kritische beschouwingen, hetgeen Piketty heeft geweigerd.

Nu hier ook de door Piketty geschetste ontwikkelingen in de postcommunistische landen aan de orde zijn geweest, ontstaat een steeds breder beeld van de huidige stand van zaken ten aanzien van inkomens- en vermogensongelijkheid. Tijd voor een poging tot overview en aansluitende conclusies.




Deel dit artikel: