Deel dit artikel:

5/1/2026

Economie en antroposofie 

Deel 9
Financiering en uitvoering sociale regelingen

Zie hier voor deel 8 

 

Naar overzicht alle delen

 

Verkiezingsposters 2023

Rechten inzake opvoeding, onderwijs en gezondheids- en ouderenzorg zijn, net als de rechtspositie van arbeid (zie deel 3), typische algemene onderwerpen die iedere burger aangaan. In de kern van de zaak beslist men dan ook democratisch hierover. Hoeveel er vervolgens nodig is qua financiering om inhoud aan deze rechtsafspraken te geven; daarover zijn wij gewend enorm te discussiëren bij allerlei begrotingsdiscussies in de Tweede Kamer. Vanuit de driegeleding bezien zou het logischer zijn om de rechtsgeleding juist hier een stap terug te laten doen. De uitwerking van met de betreffende rechtsafspraken verbonden financierings en uitvoeringsvraagstukken is toch vooral een zaak van de andere twee geledingen.
In eerste instantie kan de financieringsbehoefte dan ingeschat worden door rechtstreeks overleg tussen organisaties uit het geestelijk culturele leven en de associaties vanuit de economische geleding. Dergelijk overleg start met het inventariseren van behoeften en mogelijkheden, waarbij uiteindelijk regelmatig de stand van zaken gemonitord wordt. Je kunt dan ook eerder ingrijpen wanneer kosten uit de hand lopen of wanneer er meevallers zijn. 
We zijn er nogal aan gewend geraakt dat de overheid zoals we die nu kennen als een bemiddelaar voortdurend opduikt bij de financiering en uitvoering van tal van praktische vraagstukken, maar op zichzelf is dat helemaal niet zo vanzelfsprekend. 

 

  'Scorelijst' plannen openbaar onderwijs op basis van verkiezingsprogramma's door Vereniging Openbaar Onderwijs

  'Scorelijst' plannen openbaar onderwijs op basis van verkiezingsprogramma's door Vereniging Openbaar Onderwijs
(nav Tweede Kamer verkiezingen maart 2021, bron:  Vereniging Openbaar Onderwijs)

 

Neem nu de onderwijsuitgaven van zo'n € 50 miljard per jaar: die worden bekostigd vanuit de algemene belastinginkomsten, waarbij er concurrentie is met tal van andere mogelijke uitgaven. De ene partij roept dan meer geld naar onderwijs en de andere minder geld. Voordat dat besloten wordt, worden er allerhande organisaties gehoord en via de commissie onderwijszaken komt er bij de verschillende politieke partijen dan een standpunt uit de koker. Eventueel komen er nog wat andere onderwerpen bij en uiteindelijk zal men in de Tweede Kamer democratisch gaan stemmen voor onderwijsuitgaven als onderdeel een complete rijksbegroting. 
Dit is dan alleen nog maar de algehele financiering. Hoe vervolgens onderwijsinstellingen hun geld krijgen en onder welke voorwaarden, daarover gaat in principe een minister of de betreffende staatssecretaris, die daarover weer gesprekken voert met de betreffende scholen, om vervolgens de knoop door te hakken. 

Wat daarbij ook nog een aparte factor kan zijn, is dat ministers en staatssecretarissen benoemd worden op basis van een ondoorzichtige partijpolitieke caroussel. Regelmatig komt het voor dat er dan iemand over het onderwijs in Nederland kan gaan, die geheel niet over relevante onderwijservaring beschikt. 
 

 Openbare vergadering vaste Tweede Kamer commissie voor onderwijs, 1962

 Openbare vergadering vaste Tweede Kamer commissie voor onderwijs, 1962
(bron: Nationaal Archief)


Een tussenopmerking: het gaat er hier niet om bestuurlijk Nederland negatief te beoordelen. We hebben tal van uitstekende sociale voorzieningen, die toch maar mooi voortgekomen zijn uit al dat soms omslachtige en ondoorzichtige overleg. Het doel is hier uitsluitend om ook bij de overheid te laten zien hoe verschillende aspecten van de drie geledingen in de praktijk tot uitdrukking kunnen komen. Vaak loopt er van alles door elkaar heen. Dit is in voorgaande delen uitvoerig besproken voor de huidige wijze van economie bedrijven; hier wordt er kort op gewezen hoe eveneens bij de overheid een vergelijkbare vermenging optreedt. Zoals men in de economie bepaalde rechtsvraagstukken aan de markt overlaat, die daar niet thuishoren, zo beslist men bij de overheid over allerlei zaken die zich daar niet voor lenen. In de economie leidt het tot oneigenlijke concurrentie tussen waren en rechten, bij de overheid tot verzwakking van democratische besluitvorming door de onvermijdelijke toename van besluiten in allerlei achterkamertjes.(1)

 

 De eerste Waldorfschool in Stuttgart, ca 1921

 De eerste Waldorfschool in Stuttgart
(foto ca 1921, bron: onbekend)

 

Democratisch besluiten dát een kind recht heeft op onderwijs en opvoeding valt onder de rechtsgeleding. Zodra het vervolgens gaat om de inhoud, wordt het een ander verhaal.  Onderwijs en opvoeding omvatten tussenmenselijke relaties die niet bij de economische geleding horen (zie deel 7) en al helemaal niet bij de rechtsgeleding. Het opvoeden van kinderen volgens een democratisch af te stemmen systeem zou een fraai staaltje van staatsopvoeding met zich meebrengen. 
De wijze van opvoeden wordt in de meeste samenlevingen aan de ouders overgelaten. Het is in essentie een vrije keuze; dat zien we over het algemeen wel in. (2) Zodra het echter gaat over de inhoud van het onderwijs, vinden we dat als samenleving minder vanzelfsprekend. Wat Steiner betreft zou de keuze van onderwijs ook aan de ouders overgelaten moeten worden. (3) Vrijheid van onderwijs was een van de speerpunten van de driegeledingsbeweging. 
Steiner was nauw betrokken bij de oprichting van de Waldorfschool in Stuttgart in 1919.(4) Wellicht belangrijker nog dan de door hem ontworpen pedagogiek, vond hij het feit dat deze school onafhankelijk van de staat was.(5)
 

 De Vrije School in Den Haag, Waalsdorperweg

 Montessori school de Wielewaal in Amsterdam Zuid, startte in 1927 als de 1e openbare Montessorischool in Nederland
Met dank aan grondwet artikel 23, ingevoerd in 1917 
(bron: Scholenwijzer)


In Nederland is in dezelfde periode al een grote stap gezet richting vrijheid van onderwijs. Dankzij artikel 23, ingevoerd bij de grondwetswijziging van 1917, kun je redelijk eenvoudig zelf een school oprichten, mede door het expliciet omschreven recht op gelijkwaardige financiële ondersteuning. Wel is daarbij als beperking vastgelegd dat de overheid toezicht houdt op de kwaliteit van het onderwijs. De overheid mag dientengevolge eisen stellen aan wat zij nodig acht voor een goed functionerend onderwijsstelsel.  
In de praktijk betekent dit dat Nederland een behoorlijk pluriform onderwijsveld heeft. In veel andere landen gelden striktere voorwaarden om een eigen school op te richten; vaak mag het wel, maar moet je alsnog de financiering zelf regelen. Je betaalt dan fors extra als je je kind naar een andere dan de openbare school wilt sturen. (6)
Desalniettemin kun je vrijheid van onderwijs in Nederland consequenter vorm geven door ouders een onderwijsvoucher te verstrekken waarmee ze de school van keuze kunnen financieren. De overheid zal in zo’n geval dan weer een stap terug doen. Op het gebied van toezicht houden op de kwaliteit vallen ook stappen te zetten. Niet het ministerie van onderwijs controleert dan alle scholen in Nederland, maar er zullen dan verschillende schoolverenigingen zijn die bovendien te dealen hebben met ouders die beduidend meer zeggenschap hebben omdat zij de eigenlijke financiers van de school zijn. 

 

 'Kindergarten' in de DDR, 1979

 'Kindergarten' in de DDR, 1979
De DDR had een uitgebreid systeem van kinderopvang.
(afbeelding: wikimedia)

 

In verband met vraagstukken rond onderwijs en opvoeding is tegenwoordig het onderwerp gratis kinderopvang op de agenda gekomen. In essentie zie je hier veel argumentatie terug zoals die bij discussie over de vrijheid van onderwijs een rol spelen; zoals kansengelijkheid, sociale segregatie en keuzevrijheid van de ouders.
In plaats van direct over gratis kinderopvang te spreken zou je ook kunnen overwegen om ouders een fatsoenlijk kinderbudget te geven. Wie wil, voedt de kinderen zelf op, wie niet wil brengt ze naar de crèche.  Soms zal het dan goedkoper blijken je kind naar de crèche te brengen, soms niet. Ook zullen veel mensen het toch liever zelf doen, al is het duurder. De economische dwang van het huidige tweeverdienersmodel is dan ten dele weggevallen. Vermoedelijk betekent dit in de praktijk dat bijvoorbeeld in de traditionele christelijke en islamitische hoek dan vaker vrouwen thuis zullen blijven om in de jonge jaren de kinderen op te voeden. Als je daarentegen kinderopvang gratis maakt op de wijze zoals we dat nu met onderwijs doen, dan benadeel je degenen die bij voorkeur zelf hun kind opvoeden. 

Een dergelijk kinderbudget gaat weer een stap verder dan een onderwijsvoucher qua autonomie van de ouders. Je kunt natuurlijk ook overwegen om de leerplicht te vervroegen, waarmee je de autonomie inperkt en als compromis alsnog met een onderwijsvoucher te werken om een zekere mate van keuzevrijheid van ouders te garanderen. 
Bovenal moet je in de geestelijk culturele geleding het debat aan kunnen gaan, het is immers een voorwaarde om überhaupt tot democratische besluitvorming te kunnen komen. Er zullen daarbij ook altijd niet even eenduidige scheidslijnen tussen de drie geledingen zijn. Bij kinderopvang komen verschillende elementen van de drie geledingen fraai samen bij de visie op vrouwenemancipatie: de één vindt dat Nederlandse vrouwen te weinig werken en daarmee hun eigen emancipatie in de weg zitten, de ander vindt dat zorgtaken gewoon ook als werk gezien moeten worden.(7) 
Hier is enkel inzake kinderopvang een mogelijk compromis geschetst; zeker niet als dé ultieme oplossing, meer om te laten zien wat er op dit moment uit zou kunnen rollen als je vanuit de principes van de driegeleding probeert te redeneren. 

 

Wel of niet meer gaan werken bij gratis kinderopvang?

Wel of niet meer gaan werken bij gratis kinderopvang?
(Peiling uit 2021 bij Eenvandaag)


De uitvoering en financiering rond zorg, onderwijs en opvoeding mondt er in uit dat de geestelijk culturele geleding een grotere mate van onafhankelijkheid van de rechtsgeleding krijgt en tevens een meer volwaardige gesprekspartner van de economische geleding wordt. Er ontstaat meer een balans tussen drie maatschappelijke factoren; markt en overheid worden als het ware aangevuld met een derde factor.  In de praktijk merkt de afzonderlijke burger dit door een toename van besluitvormingsmogelijkheden. 

In het voorgaande stonden financiering en uitvoering van sociale voorzieningen centraal. Zaken die vooral samenhangen met veiligheid, zoals defensie, politie en justitie, kwamen nog niet aan de orde. Veilgheidsrelaties horen veel meer bij de kerntaken van de rechtsgeleding en staan als zodanig ook veel minder ter discussie bij de klassieke tegenstellingen tussen markt en overheid. In het licht van drie geledingen valt hier zeker ook nog een ander perspectief qua financiering en (vooral) uitvoering op te werpen, maar dat kan voor nu wel even wachten. Feit is dat veiligheidsrelaties in principe buiten prestatie en tegenprestatie vallen en uiteindelijk na gesoebat over de omvang er van, gefinancierd dienen te worden als een soort basisvoorziening. Uiteindelijk moet die financiering ook uit de economische geleding komen. 
 
Al met al hebben we nu een aantal zaken besproken die buiten het domein van prestatie en tegenprestatie vallen. Hieruit resulteert een hoeveelheid basisvoorzieningen waar al degenen die kunnen werken zorg voor dienen te dragen. Degenen die werken hebben bovendien een soort garantie op menswaardige arbeidsomstandigheden en een fatsoenlijk basisinkomen doordat de plaats van arbeid democratisch bepaald is en niet in eerste instantie onderworpen is aan de grillen van het economisch proces. 

De vraag kan nu aan de orde komen hoe inkomen en basisvoorzieningen van invloed zijn op de prijsvorming in de economische geleding. Naar de stellige overtuiging van Steiner moeten we daarvoor naar het ene waardevormende proces kijken dat verbonden is met de natuur (zie deel 6). Deze vormt als het ware de fysieke grondslag van de prijsvorming in de economie waarmee je als het ware letterlijk grond onder de voeten kunt krijgen. 

Zie deel 10: Grond als grondslag van de economie 

1. Concurrentie zoals we dat in het dagelijks spraakgebruik voor de economie hanteren is nog niet aan de orde geweest. Dat komt later.  
2. In artikel 26 lid 3 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens komt dit ook tot uitdrukking: 'Aan de ouders komt in de eerste plaats het recht toe om de soort van opvoeding en onderwijs te kiezen, welke aan hun kinderen zal worden gegeven.'

3. De rechtsbescherming van kinderen speelt in beide gevallen een grote rol. Denk bijvoorbeeld aan fysiek straffen; in de opvoeding in Nederland sinds 2007 verboden (in het onderwijs al sinds 1820) Dat kinderen recht hebben op onderwijs staat ook in het door de meeste landen geratificeerde Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Evenzo kun je via de rechtsgeleding overwegen dit recht meer invulling te geven, door bijvoorbeeld een recht om te leren lezen of rekenen. Of omgekeerd: het recht om niet te vroeg al naar school te moeten. Zo heeft men er voor gekozen in Frankrijk de leerplicht al vanaf het derde jaar te laten beginnen, in Nederland vanaf het vijfde jaar, in Zweden pas vanaf het zevende jaar. 

4. De financiering geschiedde door een consortium van bedrijven met de hoofdrol voor de Waldorf Astoria sigarettenfabriek, onder leiding van directeur Emil Molt, tevens initiatiefnemer van de school.  Wereldwijd zijn er 100 jaar later zo'n 1150 'Walfdorfscholen'. 

5. Zie bijvoorbeeld de speech van Steiner op 20 augustus 1919 (in GA 293), aan de vooravond van de lerarencursus ter voorbereiding van de start van de Waldorfschool op 7 september. Hij spreekt daar over de neiging vanuit de staat om via leerdoelen "de mens in sjablonen te vangen".  In Nederland kozen de antroposofen daarom zelfs voor de naam 'Vrije School': de eerste school werd opgericht in 1923 in Den Haag. Anno 2026 zijn er hier 133 Vrije Scholen.  

6. Een fraai voorbeeld is Frankrijk, waar men sterk overtuigd is van het belang van een centraal aangestuurd curriculum. Wil je toch echt je kind naar een Montessori school sturen? Dan kan dat 8500 euro kosten. 
7. Zie hier voor een interessante discussie tussen de vertegenwoordigers van deze opvattingen Anja Meulenbelt en Liesbeth Staats. 

 

Logo van Waldorf Astoria sigaretten.

Logo van Waldorf Astoria sigaretten.
Opmerkelijk:  de Vrije Scholen begonnen ooit dankzij een sigarettenfabriek.